| Denemarken
als de basis voor de ontwikkeling van cohousing |
Cohousing kwam als Deense woonvorm aan bod in hoofdstuk II.2.1. Daarin
werd geschetst dat het ontstaan van cohousing onder meer verklaard kan
worden door twee factoren die niet kenmerkend zijn voor Denemarken, maar
die algemeen in de jaren ‘70 actueel waren. Zo kwam een belangrijke
invloed van de toenemende druk op het gezin en van de ideologische revolutie
waarbij leefstijlen en samenlevingsvormen in vraag werden gesteld. Deze
tendensen werden in I.1 als algemeen kader ook al voor andere Europese
landen geschetst. Het kan zijn dat deze maatschappelijke ontwikkelingen
zich in Denemarken sneller en drastischer manifesteerden zodat er een grotere
nood was aan nieuwe woonvormen, maar we hebben deze sociale achtergrond
niet zo in detail bestudeerd om hierover uitspraken te kunnen doen.
Als derde invloedsfactor bij het ontstaan van cohousing werd de architecturale
context naar voor gebracht. Deze hebben we wel verder uitgewerkt omdat
het meer aansluit bij ons vakgebied en omdat er ook sprake is van een
typisch Deense situatie. Hoofdstuk II.1 toonde aan de hand van heel
wat voorbeeldprojecten hoe doorheen de Deense architectuurgeschiedenis
aandacht wordt besteed aan wonen en gemeenschap. Architecten en stedenbouwkundigen
staan daarin echter niet alleen maar worden gesteund door de overheid,
de industrie en de onderzoekswereld.
De rol die de Deense overheid doorheen de geschiedenis heeft uitgeoefend
in het mogelijk maken van een architectuur die telkens tracht te voldoen
aan de noden en behoeften van mensen, lijkt ons niet te onderschatten.
Zo zorgde het optreden van de overheid als bouwheer in de jaren twintig
voor het ontstaan van gesubsidieerde woningbouw, wat een algemene verbetering
van de basisstandaard voor arbeidershuisvesting met zich meebracht.
In de jaren ’40 werden subsidies verleend aan grote gezinnen
met lage inkomens, wat leidde tot de ‘category developments’.
Het belang van de overheid ligt echter niet enkel in het verlenen van
financiële steun, maar vooral in de intense samenwerking die in
1947 tot stand kwam tussen de publieke sector, de onderzoekswereld
(SBI) en de industrie. Dit triumviraat zorgde onder meer in de jaren ‘50
voor de ontwikkeling van een regelgeving in verband met modulaire planning
en standaardisatie. De vele experimentele wedstrijden in de jaren ’70
werden ook door deze verschillende partijen georganiseerd en gesponsord.
Daarin stonden thema’s als participatie, flexibiliteit en gemeenschap
centraal. Na de sterke industrialisatie en massaproductie van de jaren ’50
en ’60 werd in deze ontwerpvoorstellen terug aandacht besteed
aan de kwaliteiten van de Deense traditie. In het publiceren van rapporten,
het verlenen van financiële steun voor vernieuwende ontwerpen,
het organiseren van conferenties,… vormde de samenwerking tussen
deze partijen een belangrijke stimulans voor de verdere ontwikkeling
van het concept van gemeenschap.
Niet enkel in de vermelde algemene architecturale context, maar ook in de korte
geschiedenis van cohousing kunnen we reeds een belangrijke invloed van de overheid
opmerken. De nieuwe wetgeving van 1981 die een coöperatieve eigenaarvorm
mogelijk maakte, heeft immers op verschillende vlakken gevolgen gehad. Opstartende
groepen werden verplicht duidelijke prioriteiten te formuleren en zich te houden
aan een vooropgesteld budget, wat het participatieproces verkortte; er werden
beperkingen opgelegd aan de maximale oppervlakte van de woningen waardoor heel
wat variatie in typologieën ontstond; door subsidies werden de woningen
betaalbaar voor een veel bredere bevolkingsgroep, zodat er meer diversiteit
kwam op vlak van bewonerssamenstelling;…
We kunnen dus wel degelijk een aantal factoren herkennen die een verklaring
vormen voor het ontstaan en de ontwikkeling van cohousing in Denemarken.
Dit betekent echter niet dat het geen interessante woonvorm is die
zich ook in andere landen kan ontwikkelen. Het boek van McCamant en
Durrett maakte cohousing in Amerika reeds tot een populaire woonvorm
en ook in Australië en Canada zouden er al voorbeelden te vinden
zijn. Of er verschillen merkbaar zijn omwille van een andere maatschappelijke
context, een andere architecturale traditie of een verschillende houding
van de overheid en de bouwwereld, zijn we echter niet meer nagegaan.
|
| Verschillende
invloedsfactoren op gemeenschapsvorming |
Nadat we in het vorige punt de ontwikkeling van cohousing als algemene
woonvorm beschouwden, kunnen we ook ingaan op cohousing als een manier
om gemeenschap te creëren. Doorheen de thesis kwamen verschillende
factoren aan bod die een rol spelen in het ontwikkelen van een gemeenschapsgevoel.
In de beschrijving van de algemene karakteristieken van cohousing in II.2.2
werd reeds gesteld dat deze nooit los van elkaar kunnen gezien worden.
Uit de projecten die we bezochten, blijkt wel dat het belang van elke factor
op zich kan variëren van project tot project: soms kan er één
zeer sterk bepalend zijn, soms kunnen de factoren elkaar compenseren of
juist versterken,…
Het participatieproces vormt een eerste invloedsfactor. In I.1.3 en
II.2.2 kwam naar voor dat de ontwikkeling en de evolutie van een proces
even belangrijk zijn als het resultaat ervan, zodat we in II.2.3 dieper
ingegaan zijn op de verschillende fasen bij het oprichten van een project.
We kunnen met de woorden van McCamant en Durrett stellen dat het participatieproces
een eerste gemeenschapsgevoel tot stand brengt, dat dan later door
andere factoren in stand wordt gehouden. Bondebjerget illustreert goed
dat het belang van dit proces niet te verwaarlozen is: in de projectfiche
werd beschreven hoe de oorspronkelijke bewoners van de vier clusters
elk in een andere mate deelgenomen hebben aan de ontwikkeling van het
project, met als gevolg grote verschillen in de werking van de vier
groepen nadien. Algemeen kwam bij de gesprekken met de bewoners vaak
naar voor dat nieuwkomers minder deelnemen aan het gemeenschapsleven
dan de oorspronkelijke bewoners. Mensen maken bij het oprichten van
een project immers een heel proces door waarbij ze geleidelijk aan
evolueren van een individueel denkpatroon naar een denkwijze waarbij
men rekening houdt met de groep. Die bewustwording vraagt echter tijd
en doorzettingsvermogen. Eens men in de gemeenschap leeft, is het makkelijker
om confrontaties uit de weg te gaan terwijl men tijdens het oprichten
van het project echt verplicht wordt samen te werken en elkaar te leren
vertrouwen. Ook bouwt men een gemeenschappelijke ervaring op, wat achteraf
een band blijft vormen tussen de bewoners.
Een volgende aspect dat bijdraagt tot gemeenschapsvorming is de architectuur
van het project. Deze kunnen we niet los zien van het participatieproces,
vermits de bewoners er zelf betrokken worden bij het ontwerpen van
hun gebouwde omgeving.
De invloed van de architectuur op gemeenschapsvorming komt het duidelijkst
naar voor in de aanwezigheid van gemeenschappelijke voorzieningen. H.S. Andersen
stelde dat mensen door deze voorzieningen langzaamaan de voordelen ontdekken
van dingen samen te doen. Het lijkt ons echter fout te veronderstellen dat
de aanwezigheid van ruimtes sowieso tot het ontwikkelen van een gemeenschapsgevoel
zal leiden. In II.1 en II.2.1 werd vermeld dat in navolging van het idee van
cohousing ook andere woonvormen voorzien worden van gemeenschappelijke ruimtes,
maar vaak blijkt dat er door de bewoners geen gebruik van wordt gemaakt ofwel
enkel op een meer individuele manier. Binnen cohousing zelf is er langs de
andere kant wel een evolutie merkbaar waar de stelling van Andersen op betrokken
kan worden. Bij het eerste project, Sættedammen, had men nog niet gedacht
aan de vele praktische voordelen van bijvoorbeeld samen te eten, terwijl deze
aspecten nu inherent verbonden zijn aan het concept. Dit is afleesbaar in de
gebouwde omgeving in die zin dat de oppervlakte van het gemeenschapshuis in
recentere projecten toeneemt, terwijl de woningen kleiner worden.
Naast het mogelijk maken van activiteiten, kan het fysisch ontwerp ook dagelijks
contact tussen mensen stimuleren en zo bijdragen tot het creëren van een
sociale sfeer. Dit aspect vormde een onderwerp van de analyse in deel III en
zullen we in een volgend punt van dit besluit meer aandacht geven.
Net zoals we hierboven zelf al opmerkten, waren ook volgens Andersen
de fysische nabijheid en de gemeenschappelijke voorzieningen niet voldoende,
maar zijn er gezamenlijke taken en activiteiten nodig om een sociaal
netwerk op te bouwen. Deze vormen een derde en zeer belangrijke factor
in het creëren van een gemeenschap. In Sættedammen merkten
de bewoners zelf op dat de gebouwde vormgeving er eigenlijk niet veel
meer toe doet als de gemeenschap goed werkt. Anderzijds zouden heel
wat activiteiten die door individuele leden worden opgestart niet mogelijk
zijn zonder de sociale context van de gemeenschap en de fysische voorzieningen.
In de projectfiches wordt een idee gegeven van de variëteit aan
activiteiten en de manieren waarop praktische taken georganiseerd worden,
maar in realiteit doen mensen waarschijnlijk nog heel wat meer samen
dan we in onze beschrijving hebben vermeld. Belangrijk blijft wel dat
elke gemeenschap zelf bepaalt hoeveel gemeenschappelijk gedaan wordt
en dat elke bewoner vrij kan kiezen in welke mate hij eraan deelneemt.
Deze drie elementen lijken ons de basis te vormen voor cohousing-gemeenschappen.
Elk van de factoren op zich leidt tot een zeker gemeenschapsgevoel,
maar in cohousing kan de bijdrage van de ene niet los gezien worden
van de andere. Naast deze drie konden we in de thesis vervolgens nog
een aantal invloedsfactoren opmerken, die in tegenstelling tot de vorige
elk op zich geen gemeenschapsopbouwende kracht hebben.
Zo kunnen we ons afvragen of het eigenaarschap en het beheer van een
project een invloed heeft op de betrokkenheid van de bewoners. Dat
onder meer de vorm van eigenaarschap een invloed uitoefent op de bewonerssamenstelling,
komt in cohousing zeer duidelijk naar voor. De eerste gemeenschappen
werden ontwikkeld als condominium-projecten (zie II.2.3) waardoor ze
enkel betaalbaar waren voor de hogere klasse. Door de wet van 1981(waar
we het hiervoor al over hadden) werd het mogelijk een project als coöperatieve
te beheren. Enige tijd later konden opstartende groepen in Denemarken
eveneens een beroep doen op sociale huisvestingsmaatschappijen zodat
ook huurwoning-projecten ontstonden, maar die bleven een minderheid.
In de geschiedenis van Denemarken blijkt dat sociale huisvesting vaak
een zekere tegenstrijdigheid inhoudt: men wil enerzijds betaalbare
woningen voorzien voor een brede bevolkingsgroep wat moeilijk te garanderen
is als de woningen privé-bezit zijn, en langs de andere kant
wil men bekomen dat de bewoners zich verantwoordelijk zouden voelen
alsof het om hun eigen woning gaat. Dat er een eenduidige relatie bestaat
tussen eigenaarschap en de betrokkenheid van de bewoners durven we
niet direct te stellen, maar het leek ons wel dat de minder goede werking
in Bondebjerget vooral hierdoor veroorzaakt werd. Dit speelt des te
meer mee als mensen er door een algemeen tekort aan huurwoningen via
een wachtlijst terecht komen (zoals in Bondebjerget); gemeenschappelijk
wonen is dan geen bewuste keuze meer, maar slechts een (tijdelijke)
oplossing voor hun woningnood. Net zoals de bewoners nastreefden, lijkt
het ons daarom belangrijk dat de groep zelf kan beslissen over mogelijke
nieuwe leden. Ook Drejerbanken bestaat voor de helft uit huurwoningen
maar daar was praktisch geen verschil te merken tussen huurders of
eigenaars. Dat beide clusters gebruik maken van hetzelfde gemeenschapshuis
en voor de rest ook als één groep functioneren, heeft
daarop wel een zekere invloed.
Een volgende beïnvloedende factor is de bewonerssamenstelling.
Dat deze in grote mate samenhangt met de vorm van eigenaarschap werd
hiervoor reeds aangehaald. Wat vervolgens ook bij het bezoeken van
de projecten duidelijk naar voor kwam, is de betekenis van de aanwezigheid
van kinderen. Zij vormden eigenlijk de aanleiding tot het ontstaan
van cohousing (zie II.2.1), zodat in heel wat projecten de gebouwde
vormgeving op hen is afgestemd. Kinderen worden echter groter en zoeken
na een tijd een eigen plek om te wonen. Soms brengen nieuwe bewoners
jonge kinderen mee, maar in bijna alle projecten die we bezochten was
het aantal kinderen met de tijd sterk afgenomen. De aanwezigheid van
kinderen heeft echter niet alleen een invloed op de vormgeving van
het project en het gebruik van de ruimte, maar in zekere zin vormen
zij ook de basis voor het sociaal contact tussen de ouders. Sommige
gemeenschappen vertelden dat ze zonder kinderen nu terug meer individueel
leven, terwijl bij andere wel eenzelfde graad van gemeenschap is blijven
bestaan, maar op een andere manier.
Een andere invloed die hier en daar al in naar voor kwam, maar die
we toch nog apart willen vermelden, is het effect van tijd. In elke
groep zijn er wel periodes waar er meer of minder samen wordt gedaan,
maar algemeen beschouwd kunnen we stellen dat naarmate bewoners elkaar
beter leren kennen, er minder conflicten optreden, ze elkaar leren
aanvaarden en toleranter worden en dat alles niet meer zo strikt georganiseerd
moet worden. Eigenlijk kwam dit ook al in het participatieproces aan
bod: samen leven met anderen is een proces dat geleidelijk aan evolueert.
De projecten die we bezochten, bestaan allemaal al zo’n twintig
of bijna dertig jaar, waardoor de positieve invloed van tijd telkens
wel naar boven kwam in de gesprekken met de bewoners.

|
| Invloed
van architectuur |
Doorheen de thesis zijn we er vanuit gegaan dat er een wisselwerking
bestaat tussen architectuur en sociale processen. In het voorgaande punt
werd de invloed van architectuur reeds genuanceerd in die zin dat het slechts één
van de factoren is die een invloed heeft op het gemeenschapsleven. Toch
willen we op basis van deel III nog even nagaan welke ontwerpelementen
in de cohousing-projecten als belangrijk naar voor komen. We zullen ons
daarbij beperken tot die elementen die duidelijk de invloed van architectuur
tonen, er zijn immers veel kleine aandachtspunten maar de impact ervan
is moeilijk na te gaan aangezien er zoveel andere factoren het gemeenschappelijk
wonen beïnvloeden en omdat de rol van architectuur ook een beetje
vervaagt wanneer de groep een goede werking kent.
Wat de gemeenschap als geheel en ten opzichte van zijn omgeving betreft,
zijn er in cohousing een aantal algemeen geldende eigenschappen te
herkennen die bij alle projecten terug komen en waarvan we de invloed
op het gemeenschapsleven dus moeilijker kunnen inschatten. Zo zijn
de projecten te beschrijven als geclusterd wonen of middeldichte laagbouw,
met een gemiddelde grootte van twintig tot dertig eenheden, meestal
suburbaan gelegen en vrij afgesloten van de omgeving. Parking wordt
overal aan de rand gesitueerd, zodat de buitenruimte maximaal kan benut
worden voor allerlei activiteiten en een veilige speelruimte voor kinderen
ontstaat.
Cohousing-gemeenschappen zijn eigenlijk helemaal bedacht op voorhand en op
het niveau van het siteplan gebeuren er slechts hier en daar kleine aanpassingen,
niet zozeer fysisch maar eerder qua gebruik. Hoewel er in II.1 soms werd gewezen
op het belang van latere uitbreidbaarheid, lijkt dit ons hier niet echt van
toepassing. Bewoners hebben zelf deelgenomen aan het ontwerpen van hun omgeving,
de werking is afgestemd op een welbepaalde grootte, bewoners zijn vaak fier
op het geheel en willen dat zelf zo behouden.
Naast deze algemene typering kunnen we bij sommige projecten specifieke
architecturale elementen bemerken, die wel een duidelijk verschil bepalen
wat betreft het gemeenschapsleven en die verder ook op de andere niveaus
nog aan bod zullen komen.
Wat omvang betreft is er slechts één project dat zich onderscheid
van de anderen, namelijk Jerngården(1). Het blijkt dat de kleine schaal
ervan een belangrijke invloed heeft. Zo onder meer op de houding van de gemeenschap
ten opzichte van de omgeving: in vergelijking met andere projecten zijn de
bewoners veel actiever in de buurt. Dit kunnen we natuurlijk niet los zien
van de stedelijke locatie, die daartoe veel meer mogelijkheden biedt. Jerngården
is van de acht bezochte projecten het enige dat in de stad gelegen is, zodat
je je natuurlijk kan afvragen hoe juist de verbanden liggen tussen de kleine
schaal, de stedelijke ligging en de open houding naar de omgeving. Verder zal
nog blijken dat op het niveau van het gemeenschapshuis de klemtoon op het belang
van een aantal ontwerpelementen bij kleine projecten heel anders komt te liggen.
Een andere ontwerpbeslissing waarbij we een verband kunnen zien met de sociale
werking van de gemeenschap, is de verspreide ligging van de gebouwen in Skråplanet.
Daarbij verloopt ook de circulatie doorheen het project langs allerlei kleine
paadjes, waardoor minder gemakkelijk spontane ontmoetingen tot stand komen.
Het is de enige gemeenschap waar niet zoveel activiteiten met alle bewoners
samen gedaan worden, maar eerder in kleine groepjes onderling. Of dit veroorzaakt
wordt door de architecturale vormgeving, of dat deze hier juist op afgestemd
is, blijft natuurlijk de vraag.
Een derde belangrijk element, dat ook nog op de twee andere niveaus terugkomt,
is de beslissing om alles onder één dak te organiseren. Dit heeft
een grote invloed wat betreft circulatie en privacy, met als voordeel dat je
in een klimaat als dat in Denemarken veel makkelijker en meer van de gemeenschappelijke
voorzieningen gebruik kan maken (geen jas en schoenen aan te doen). Het nadeel
is echter dat je dichter op elkaar woont en zo een deel van je privacy verliest,
en ook akoestisch brengt dit makkelijk problemen met zich mee. Voor kinderen
is het natuurlijk ideaal, zij beschikken over heel wat meer vrije en toch beschermde
speelruimte. In het contact met de omgeving tenslotte zorgt deze compositie
wel voor een bijkomende te overbruggen drempel.
Dit laatste wordt trouwens soms als algemene kritiek op het leven
in gemeenschap gegeven, namelijk dat de projecten zich afsluiten van
de omgeving en een introverte houding aannemen. Zonder hierover zelf
een uitspraak te doen, willen we toch benadrukken dat architectuur
daar ook een belangrijke rol in speelt. De meeste projecten richten
zich tot de bewoners zelf en sluiten zich af naar de omgeving, meestal
om lawaaihinder of inkijk te vermijden. Nergens is echter een vaste
afsluiting geplaatst die mensen buiten houdt, wel is er een soort geleidelijke
overgang van publiek domein naar het gebied van de gemeenschap. Daarbij
kunnen we nog als verschil opmerken dat sommige projecten meer gewoon
zijn ‘vreemden’ te zien dan anderen (door gedeelde paadjes
of georganiseerde kinderopvang). Op de relatie tussen gemeenschap en
omgeving zullen we verder nog terugkomen.
Waar we op het niveau van het siteplan een aantal duidelijke elementen kunnen
herkennen, is dit op het niveau van de gemeenschap op zich en samengebracht
in ruimtes veel moeilijker. De werking van de gemeenschap bepaalt volgens
ons in veel grotere mate het gebruik van de gemeenschappelijke voorzieningen
dan de architecturale vormgeving. Ook Hayden maakte al de bemerking dat er
pas activiteiten gebeuren als er ruimtes voorzien zijn en dat de ruimtes
slechts gebruikt worden als er activiteiten zijn. Bij cohousing worden sowieso
gemeenschappelijke ruimtes voorzien, afgestemd op de noden en de behoeften
van de bewoners (ze beslissen er immers samen over tijdens het participatieproces),
maar het gebruik ervan blijft afhankelijk van het feit of er een goede groepswerking
is en ook activiteiten georganiseerd worden.
Wat de locatie van het gemeenschapshuis betreft, blijkt dat bij een
hechte gemeenschap als Sættedammen een slechte ligging nog weinig
invloed heeft, net zoals de centrale ligging in Bondebjerget niet verhindert
dat er in sommige clusters minder gemeenschapsgevoel leeft. Wel kunnen
we in Skråplanet een zeker verband zien tussen de architectuur
en de werking (zoals ook al op niveau van het siteplanaan bod is gekomen).
Door de grote spreiding van de woningen en de losse circulatie kom
je er niet zo snel langs het gemeenschapshuis en ook zijn er geen dagelijkse
activiteiten (samen eten, de was doen, post halen, prikbord lezen,…)
die je verplichten er naar binnen te gaan.
Deze laatste lijken ons een belangrijke stimulans om mensen met elkaar in contact
te brengen, veel meer dan de afstand tot de woningen (sommige mensen wonen
immers liever wat verder van het gemeenschapshuis) of de visuele relatie tussen
binnen en buiten. Een visuele verbinding heeft wel een invloed, je ziet makkelijk
wie er is of wat er te doen is, maar enkel als je er al naartoe moet komen
en dat gebeurt in de eerste plaats omwille van activiteiten.
Naast de verspreide ligging, hebben ook de andere twee specifieke
ontwerpelementen die hiervoor aan bod kwamen op dit niveau een belangrijke
invloed. Zo is in een klein project de locatie van het gemeenschapshuis
niet zo belangrijk (afstanden zijn sowieso klein) en de ruimtes lijken
er direct veel huiselijker door de kleine schaal. Flexibiliteit en
multifunctionaliteit zijn daarentegen wel belangrijk omdat er niet
voor elke functie een aparte ruimte kan voorzien worden. Ook het samenbrengen
van alle ruimtes onder één dak vermindert het belang
van de afstand tot het gemeenschapshuis, je wandelt er immers eenvoudig
naartoe. De overdekte binnenruimte doet daarbij zowel dienst als uitbreiding
van het gemeenschapshuis als van de woningen, zodat er een zeer multifunctionele
ruimte ontstaat.
Een volgend duidelijk onderscheid dat op het vlak van de gemeenschappelijke
ruimtes naar voor kwam, ligt in de datering van het project. Dit heeft
op twee manieren een invloed. Ten eerste is er een duidelijk verschil
in de graad van openheid tussen buiten en binnen bij de projecten die
vóór de energiecrisis gebouwd zijn en de andere. Deze
openheid zorgt wel voor een ruimtelijke meerwaarde, maar ook voor hoge
verwarmingskosten. Ten tweede is er bij latere projecten een toename
van de grootte van het gemeenschapshuis merkbaar en voel je dat ze
voortbouwen op elkaars ervaring. Bij de meeste projecten konden we
ongeveer dezelfde architecturale elementen opmerken om de ruimte aantrekkelijk
te maken en contacten te stimuleren (zoals open overgangen, halve verdiepingen
en niveauverschillen, aansluiting met een buitenruimte, vlotte toegankelijkheid,…).
Tijdens het participatieproces worden meestal andere gemeenschappen
bezocht, wat hiervoor een eventuele verklaring kan vormen.
Wat we reeds bij het siteplan opmerkten maar daar niet zo van toepassing
was, namelijk dat bij cohousing de gebouwde vormgeving meestal op voorhand
bedacht wordt en latere uitbreidingen niet echt voorzien zijn, geldt
wel meer voor het gemeenschapshuis. Buiten Jerngården, waar bewoners
een berging en fietsenstalling bijbouwden, zijn er enkel binnen de
grenzen van de bestaande constructie aanpassingen gebeurd. We merkten
dat de meeste bewoners het uniforme geheel willen behouden en als ze
soms toch meer gemeenschappelijke ruimte wensten, was dat financieel
meestal niet haalbaar.
Wel wordt in Jystrup Savværk aangetoond hoe het voorzien van flexibele
en multifunctionele ruimtes een invloed kan hebben op het gemeenschapsleven.
Zij maken een variëteit aan gemeenschappelijke activiteiten mogelijk en
kunnen ook als uitbreiding van de individuele woningen gebruikt worden. Bij
andere projecten gaan functieveranderingen of nood aan meer ruimte meestal
enkel gepaard met het verwijderen van een deur of wand.
Wat betreft de individuen in de gemeenschap, of anders gezegd de woningen,
kunnen we opmerken dat er een wederzijdse beïnvloeding bestaat.
De gemeenschappelijke voorzieningen vragen van de bewoners reeds een investering,
zodat het niet meer mogelijk is om voor ieder een specifieke, grote woning
te bouwen.
Wat de grootte betreft mogen we anderzijds niet ontkennen dat de woningen juist
kleiner kunnen zijn omwille van de gemeenschappelijke voorzieningen, zodat
we in navolging van Fromm kunnen zeggen dat er tussen woning en gemeenschap
een symbiotische relatie bestaat (zie II.2.2). Ook is er binnen cohousing een
evolutie merkbaar naar steeds kleiner woningen, wat erop wijst dat de ‘kleinheid’ niet
echt als een beperking ervaren wordt. Dit betekent wel dat de gemeenschappelijke
voorzieningen niet langer als een ‘extra’ maar eerder als een noodzaak
dienen. Bij het bezoeken van de projecten hebben we de woningen niet echt als
te klein ervaren, meestal was er heel wat aandacht besteed om de functionaliteit
en de ruimtelijkheid optimaal te maken. Zo konden we bijna overal dezelfde
elementen herkennen: een open plan, halve niveaus en schuifwanden, een mezzanine
of duplex, schuine plafonds, veel lichtinval, een vlotte overgang naar buiten, ….
Het leven in gemeenschap heeft niet alleen een invloed op de grootte van de
woningen, maar ook op de eigen inbreng in het ontwerp van je woning. Ook dit
wordt door de meeste bewoners niet als een beperking ervaren, vaak geven ze
toe dat ze bij het participatieproces te veel nadruk legden op individuele
keuzes. De mogelijkheid achteraf nog veranderingen te kunnen doen en een eigen
inbreng aan de woningen toe te voegen, is van veel meer belang. Om de samenhang
en uniformiteit te behouden gaan de bewoners zelf soms wel beperkende regels
opstellen, maar bij de meeste projecten was er toch een duidelijk onderscheid
tussen de woningen merkbaar. Het werken met een basisplan met latere uitbreidingsmogelijkheden,
lijkt ons daartoe een efficiënte methode (zie Sol og Vind). Ook de ruimte
voor de woning biedt heel wat mogelijkheden tot zelf-expressie. Bij de projecten ‘onder één
dak’ wordt deze gewoon als uitbreiding van de woning beschouwd, zodat
onmiddellijk duidelijk wordt wie er woont; bij de andere projecten zijn de
kleine voortuinen vaak ingericht als zitplekjes.
Niet alleen heeft de gemeenschap een invloed op de woningen, omgekeerd
kan het woningontwerp gevolgen hebben voor het gemeenschapsleven.
Om een gemeenschapsgevoel te ontwikkelen is er een zekere diversiteit en stabiliteit
qua bewoners nodig. De bewonerssamenstelling wordt onder meer beïnvloed
door de woninggrootte en typologieën. Binnen cohousing is er zoals reeds
gezegd een evolutie merkbaar naar kleinere, maar meer gevarieerde woningtypes.
Zo kan aan de noden van een veel bredere bevolkingsgroep worden voldaan en
ook hebben de bewoners zelf de mogelijkheid om naargelang hun wijzigende behoeften
binnen de gemeenschap van woning te veranderen. We moeten hierbij wel vermelden
dit bij koopwoningen heel wat administratieve rompslomp met zich meebrengt;
in Bondebjerget werd het daarentegen vaak gedaan (in die zin betekent de makkelijkere
wissel bij huurwoningen dus wel een voordeel).
Woonstabiliteit kan nog op een andere manier mogelijk gemaakt worden, namelijk
door flexibele woningen te voorzien. Zoals besproken in III.3 bestaan hiertoe
verschillende mogelijkheden. Het belang ervan werd vooral duidelijk in Skråplanet,
waar de zeer specifieke architectuur en het bestaan van slechts één
woningtype zowel oorspronkelijk als nu nog steeds voor een homogene groep zorgde.
Langs de andere kant zijn er in Sættedammen ook slechts twee woningtypes
voorzien, maar door het modulaire constructiesysteem is er doorheen de tijd
heel wat variatie ontstaan wat duidelijk tot veel meer diversiteit binnen de
groep heeft geleid. Bij de projecten met kleine woningen kunnen we zien dat
een aanpasbare indeling van de woning niet veel invloed heeft, maar eerder
het voorzien van een uitbreidingszone bij het ontwerp (Sol og Vind) of de aanwezigheid
van extra ruimtes bij de gemeenschappelijke voorzieningen (Jystrup Savværk).
Het woningontwerp kan op een tweede manier een invloed hebben op het
leven in gemeenschap, namelijk door het stimuleren en ondersteunen
van contacten tussen individu en de gemeenschap. Een zonering binnen
de woningen, waarbij de keuken en eetkamer aan de kant van het gemeenschappelijk
binnengebied gelegen zijn en de living en slaapkamers aan de achterzijde,
konden we in bijna alle projecten opmerken. Ook is er meestal een vlotte
toegang tot de woning, mensen sluiten vaak hun deuren niet zodat ze
makkelijk bij elkaar binnenwandelen. De kleine voortuintjes vormen
vooral in de zomer volgens de bewoners een ideale ontmoetingsplek.
Wat deze laatste aspecten betreft kunnen we opnieuw een invloed merken van
de ontwerpbeslissingen die ook op de voorgaande niveaus aan bod kwamen.
Bij Jerngården is het omwille van de kleine schaal minder belangrijk
om bij het woningontwerp rekening te houden met contactmogelijkheden, vermits
mensen elkaar sowieso makkelijker ontmoeten. Ook privacy vormt niet zo’n
groot probleem. Het was trouwens opvallend dat de bewoners de toegang langs
het binnengebied als voordeur gaan beschouwen zijn, terwijl de straatkant enkel
als formele ingang gebruikt wordt.
Ook het samenbrengen van de woningen onder één dak heeft een
grote invloed: de overgang tussen privaat en semi-privaat en gemeenschap verloopt
daar immers veel vlotter en een eventuele tussenzone is minder gedefinieerd.
Toch lijkt er ons nog een verschil merkbaar tussen de grote open hall van Jernstøberiet
en de gevarieerde binnenstraten van Jystrup, wat bij de bespreking ervan werd
vermeld.
Als laatste heeft de uitgespreide compositie en de losse circulatie in Skråplanet
als gevolg dat mensen niet zo vaak langs elkaars woningen passeren, zodat het
stimuleren van contact aan de hand van het woningontwerp weinig nut heeft.
Als algemene opmerking willen we tot slot nog vermelden dat je als
buitenstaander heel wat aspecten zoals bijvoorbeeld privacy als storend
kan ervaren, die echter door de bewoners zelf heel anders geëvalueerd
worden omdat ze elkaar kennen, samen wonen en leven en zelf ook meegewerkt
hebben aan het tot stand komen van een omgeving die voldoet aan hun
noden en behoeften. De verschillende ontwerpelementen die hier en in
de analyse naar voor gebracht zijn, lijken ons daarom niet zomaar algemeen
toepasbaar of interpreteerbaar, maar moeten gezien worden in het kader
van het gemeenschapsleven, dat bij cohousing ook in grote mate bepaald
wordt door de gezamenlijke activiteiten en het participatieproces.
|
| Evaluatie
van de Deense situatie en betekenis voor vandaag |
Ter afsluiting willen we vanuit een evaluatie van de Deense context
nagaan wat cohousing vandaag kan betekenen. Meer concreet vragen we ons
af waarom mensen voor cohousing kunnen kiezen, voor wie deze woonvorm
van nut kan zijn en welke houding wordt aangenomen ten opzichte van de
omgeving en de rest van de maatschappij.
De oorspronkelijke doelstelling bij het ontstaan van cohousing was het
creëren van een ondersteunend sociaal netwerk. De vele praktische
voordelen zoals bijvoorbeeld samen eten vormden aanvankelijk geen uitgangspunt.
Andere woonvormen met georganiseerde diensten, zoals het kollektivhus
in Zweden, werden wel expliciet vanuit een functioneel oogpunt ontwikkeld.
Nochtans kunnen we niet ontkennen dat ook in cohousing de praktische
voordelen een belangrijk onderdeel geworden zijn van het gemeenschapsleven,
zodat dit voor nieuwe bewoners onvermijdelijk meespeelt in hun keuze
voor deze woonvorm. Om de eerste oprichtingsfasen door te maken is er
nog steeds een zeker idealisme en meer overtuiging nodig, maar eens men
er woont zijn het toch de kleine dagelijkse dingen die belangrijk worden.
Bewoners kunnen er ecologische opvattingen op na houden, maar aandacht
voor ecologie is niet inherent verbonden met het concept van cohousing.
We merken wat dit betreft wel een duidelijk verschil tussen de oudste
projecten, die nog voor de energiecrisis opgericht zijn, en latere. Vanaf
1973 is naast de noodzaak tot energiebesparing algemeen een meer omgevingsbewuste
en duurzame levenshouding gegroeid. Wel konden we zoals G. Meltzer ervaren
dat het leven in gemeenschap hiervoor als model kan dienen: heel wat
duurzame goederen worden gemeenschappelijk voorzien, vaak was er een
gemeenschappelijke groentetuin, soms werd er nuttig gebruik gemaakt van
passieve zonne-energie,… Bewust omspringen met energie diende echter
enkel in Sol og Vind als uitgangspunt bij de vormgeving van het project.
Er bestaan wel een aantal Deense projecten waar men specifiek vanuit
ecologische beschouwingen kiest voor het leven in gemeenschap (cfr. Overdrevet
of Ramshusene), maar deze worden in de literatuur omschreven als ‘ecologische
experimenten en niet zozeer als een betekenisvolle manier om gemeenschap
te creëren op zich. De reden waarom we er hier aandacht aan besteden,
ligt in de vaststelling dat in België vaak een ecologische visie
verbonden is aan het idee van gemeenschappelijk wonen. We willen enkel
aantonen dat dit niet noodzakelijk zo hoeft te zijn, vermits deze verbondenheid
volgens ons een beperking vormt naar mensen die zich aangesproken voelen
door gemeenschappelijke woonvormen.
Een andere veronderstelling die mensen vaak koppelen aan gemeenschappelijk
wonen, is dat deze manier van wonen een beperking zal betekenen van hun
vrijheid of privacy. Bij de verschillende collectieve woonvormen die
in I.2 en I.3 aan bod kwamen, werd deze bedenking vaak bevestigd. We
zijn echter verder ingegaan op cohousing omdat deze woonvorm ons een
evenwicht leek te bieden tussen individu en gemeenschap. Na het bezoeken
van enkele projecten zijn we ervan overtuigd dat dit ook zo is. We willen
daarbij wel direct vermelden dat dit niet betekent dat iedereen zich
goed zou voelen bij een dergelijke manier van wonen, maar voor mensen
die zich aangesproken voelen door de praktische en sociale voordelen,
kan cohousing een oplossing bieden waarbij ook privacy aanwezig blijft.
Bovendien is er bij de verschillende cohousing-projecten nog een grote
variatie in de mate van gemeenschappelijkheid, bewoners beslissen daar
bij elk project zelf over tijdens het participatieproces.
Als we ons afvragen wie in Denemarken vooral aangesproken wordt door
cohousing, valt het op dat in tegenstelling tot de nagestreefde diversiteit,
de bewoners van de eerste projecten een vrij homogene groep vormden (tweeverdienende
gezinnen, vaak academici, met één of twee kinderen). Dat
er vaak andere bewoners op af komen dan degene die men oorspronkelijk
had bedoeld, konden we ook al vaststellen bij andere collectieve woonvormen
(bijvoorbeeld bij de huishoudelijke coöperaties en kollektivhus,
zie I.2) en in de Deense architectuurgeschiedenis (zie bijvoorbeeld Bakkehusene).
Specifiek voor cohousing kunnen we doorheen de thesis enkele redenen
terugvinden die dit verschijnsel verklaren: om te beginnen werd reeds
vermeld dat het eigenaarschap een invloed heeft op de bewonerssamenstelling
en de eerste projecten waren als koopwoningen vrij duur; bij de twee
oudste gemeenschappen valt ook op dat er bijna geen variatie is in woninggroottes,
wat dus een vrij homogene huishoudensamenstelling veronderstelt; tot
slot wees Andersen er nog op dat bepaalde intellectuele vaardigheden
en een zeker organisatietalent nodig zijn om een gemeenschap op te starten,
wat ook een zekere beperking inhoudt op wie in een cohousing-project
terecht komt. Deze drie beperkende invloedsfactoren zijn in Denemarken
echter geëvolueerd zodat er nu heel wat meer diversiteit bestaat
op het vlak van gezinssamenstelling, leeftijd en inkomensklasse van bewoners:
als eerste werden door de coöperatieve eigenaarvorm of door samenwerking
met een huisvestingsmaatschappij de woningen veel goedkoper; bij latere
projecten werd aandacht besteed aan een variatie in woningtypes en -groottes;
en ten derde is het ontwikkelen van een project makkelijker geworden
omwille van de ervaring van voorgaande gemeenschappen en door de toenemende
bekendheid van het concept. Bij het bezoeken van de projecten hebben
we slechts terloops geïnformeerd naar de bewonerssamenstelling en
dus niet met de bedoeling er hier zelf conclusies uit af te leiden. De
informatie die we erover hebben staat vermeld in de projectfiches. We
willen wel de opmerking van M. van Schendelen (zie I.1.3) herhalen, namelijk
dat er een zekere homogeniteit nodig is om een sociaal netwerk te creëren.
Homogeen moet daarbij niet zozeer omschreven worden aan de hand van status,
gezinsfase en gezinsstructuur, maar eerder gezien worden als een overeenstemming
wat betreft ideeën en opvattingen over contacten en relaties. Daaruit
blijkt opnieuw het belang van het participatieproces, waarin de toekomstige
bewoners verplicht zijn overeenstemming te vinden in hun visie over wonen.
Op dat moment voel je snel aan of je je kan terugvinden in de verwachtingen
van de anderen en kan je nog gemakkelijker beslissen er niet mee door
te gaan. Eens men samen woont, brengt zoiets veel meer spanning met zich
mee.
Om af te sluiten willen we nog even ingaan op een aspect dat wij zelf
vrij belangrijk vinden en waar mensen snel een oordeel over formuleren:
namelijk de relatie tussen de gemeenschap en haar omgeving. Soms wordt
cohousing immers als introvert bekritiseerd: door de vele activiteiten
en taken binnen de gemeenschap zouden de bewoners niet langer de tijd
of de behoefte hebben zich erbuiten te engageren of zich te integreren
in de omgeving en ook hebben we reeds vermeld dat de meeste projecten
zich qua vormgeving eerder afsluiten van hun omgeving. Toch willen we
dit nuanceren aan de hand van enkele bedenkingen.
Wat architectuur betreft hebben we reeds vermeld dat er nergens een afsluiting
aanwezig is, maar eerder een geleidelijke overgang van een publieke naar een
semi-publieke zone. Mensen zijn dus wel welkom, maar met respect voor het gebied
dat ze betreden. Ook mogen we de invloed van de ligging en de grootte van het
project niet onderschatten. In Jerngården, klein en in de stad gelegen,
bleken de bewoners immers zeer actief te zijn in hun omgeving, terwijl bij
een suburbane ligging sowieso veel minder contact tussen de verschillende wijken
of bewoners bestaat.
Belangrijk is ook dat het niet alleen van de bewoners afhangt welke relatie
er met de omgevende buurt bestaat. Bij de oprichting van de oudere projecten
werd de groep vaak met argwaan bekeken, de reputatie van de commune die we
in I.2 schetsten was toen nog zeer sterk aanwezig. Nu de woonvorm meer gekend
is neemt deze reactie wel af, maar toch blijft er vaak nog twijfel. Bewoners
vertelden vaak hoe ze zich in het begin elk persoonlijk gingen voorstellen
aan de buurt, hoe ze informatievergaderingen organiseerden, mensen uitnodigden
om te komen kijken dat zij maar een gewoon leven leiden, feesten organiseerden
om mensen vertrouwd te maken,… Als er kleine kinderen waren, engageerden
ze zich ook vaak in de schoolwerking of werd er kinderopvang georganiseerd.
Sommige projecten werken nu nog steeds als een soort ‘sociaal centrum’,
waarbij buurtbewoners uitgenodigd worden voor bepaalde activiteiten of feesten,
terwijl andere groepen meer afstand genomen hebben. Algemeen denken we dat
er zowel als individu als bij een gemeenschap bepaalde periodes zijn waarop
je je meer of minder bezig houdt met je omgeving. Net zoals we ervaren hebben
dat er in cohousing een evenwicht bestaat in de verhouding tussen individu
en gemeenschap, lijkt het ons daarom dat bij de bezochte gemeenschappen eenzelfde
evenwicht gevonden is in de relatie met de omgeving.

|