BESLUIT

vooraf
Denemarken als de basis voor de ontwikkeling van cohousing
verschillende invloedsfactoren op gemeenschapsvorming
invloed van architectuur
evaluatie van de Deense situatie en betekenis voor vandaag

Vooraf Als vertrekpunt voor deze thesis zijn we uitgegaan van de vaststelling dat een groeiend aantal mensen binnen de bestaande architectuur geen antwoord vinden op hun noden en behoeften. Meer specifiek ervaarden we dat er een toenemende vraag is naar vormen van gemeenschappelijk wonen.
In een eerste hoofdstuk zijn we nagegaan of dit uitgangspunt een bredere basis kent. Er werden een aantal maatschappelijke processen naar voor gebracht die deze wijzigende behoeften kunnen verklaren en enkele auteurs formuleerden bedenkingen bij de bestaande architectuur. Daarna werd aangetoond dat de huidige belangstelling voor collectieve woonvormen geen uniek verschijnsel is maar deel uitmaakt van een historische tendens die op bepaalde momenten en plaatsen hoogtepunten kent. De verschillende manieren waarop dit verlangen naar gemeenschap vandaag wordt vormgegeven, kwam in een derde hoofdstuk aan bod. Recente woonvormen werden er naast elkaar geplaatst en gerangschikt volgens graad van gemeenschappelijkheid, waaruit duidelijk naar voor kwam dat cohousing in Denemarken, Centraal Wonen in Nederland en het Zweedse kollektivhus sterk bij elkaar aanleunen.
Het blijkt dus dat cohousing in Denemarken slechts één bepaalde woonvorm in een welbepaalde context is die we kunnen kaderen in een ruimer geheel.
Uit dit eerste algemeen kader kunnen we geen rechtstreekse besluiten trekken, maar wel heeft het belang als samenvatting van een aantal elementen die als dusdanig nog niet de literatuur voorhanden is en ook omdat men door enkel één specifieke situatie te bekijken anders te snel het vermogen verliest te relativeren en de dingen te plaatsen in een ruimer geheel.
Met deze achtergrond als basis zullen we in wat volgt aandacht besteden aan cohousing zelf en de eventuele betekenis die het als woonvorm kan hebben voor de huidige vraag naar meer gemeenschapsvorming.
Denemarken als de basis voor de ontwikkeling van cohousing Cohousing kwam als Deense woonvorm aan bod in hoofdstuk II.2.1. Daarin werd geschetst dat het ontstaan van cohousing onder meer verklaard kan worden door twee factoren die niet kenmerkend zijn voor Denemarken, maar die algemeen in de jaren ‘70 actueel waren. Zo kwam een belangrijke invloed van de toenemende druk op het gezin en van de ideologische revolutie waarbij leefstijlen en samenlevingsvormen in vraag werden gesteld. Deze tendensen werden in I.1 als algemeen kader ook al voor andere Europese landen geschetst. Het kan zijn dat deze maatschappelijke ontwikkelingen zich in Denemarken sneller en drastischer manifesteerden zodat er een grotere nood was aan nieuwe woonvormen, maar we hebben deze sociale achtergrond niet zo in detail bestudeerd om hierover uitspraken te kunnen doen.

Als derde invloedsfactor bij het ontstaan van cohousing werd de architecturale context naar voor gebracht. Deze hebben we wel verder uitgewerkt omdat het meer aansluit bij ons vakgebied en omdat er ook sprake is van een typisch Deense situatie. Hoofdstuk II.1 toonde aan de hand van heel wat voorbeeldprojecten hoe doorheen de Deense architectuurgeschiedenis aandacht wordt besteed aan wonen en gemeenschap. Architecten en stedenbouwkundigen staan daarin echter niet alleen maar worden gesteund door de overheid, de industrie en de onderzoekswereld.

De rol die de Deense overheid doorheen de geschiedenis heeft uitgeoefend in het mogelijk maken van een architectuur die telkens tracht te voldoen aan de noden en behoeften van mensen, lijkt ons niet te onderschatten. Zo zorgde het optreden van de overheid als bouwheer in de jaren twintig voor het ontstaan van gesubsidieerde woningbouw, wat een algemene verbetering van de basisstandaard voor arbeidershuisvesting met zich meebracht. In de jaren ’40 werden subsidies verleend aan grote gezinnen met lage inkomens, wat leidde tot de ‘category developments’. Het belang van de overheid ligt echter niet enkel in het verlenen van financiële steun, maar vooral in de intense samenwerking die in 1947 tot stand kwam tussen de publieke sector, de onderzoekswereld (SBI) en de industrie. Dit triumviraat zorgde onder meer in de jaren ‘50 voor de ontwikkeling van een regelgeving in verband met modulaire planning en standaardisatie. De vele experimentele wedstrijden in de jaren ’70 werden ook door deze verschillende partijen georganiseerd en gesponsord. Daarin stonden thema’s als participatie, flexibiliteit en gemeenschap centraal. Na de sterke industrialisatie en massaproductie van de jaren ’50 en ’60 werd in deze ontwerpvoorstellen terug aandacht besteed aan de kwaliteiten van de Deense traditie. In het publiceren van rapporten, het verlenen van financiële steun voor vernieuwende ontwerpen, het organiseren van conferenties,… vormde de samenwerking tussen deze partijen een belangrijke stimulans voor de verdere ontwikkeling van het concept van gemeenschap.
Niet enkel in de vermelde algemene architecturale context, maar ook in de korte geschiedenis van cohousing kunnen we reeds een belangrijke invloed van de overheid opmerken. De nieuwe wetgeving van 1981 die een coöperatieve eigenaarvorm mogelijk maakte, heeft immers op verschillende vlakken gevolgen gehad. Opstartende groepen werden verplicht duidelijke prioriteiten te formuleren en zich te houden aan een vooropgesteld budget, wat het participatieproces verkortte; er werden beperkingen opgelegd aan de maximale oppervlakte van de woningen waardoor heel wat variatie in typologieën ontstond; door subsidies werden de woningen betaalbaar voor een veel bredere bevolkingsgroep, zodat er meer diversiteit kwam op vlak van bewonerssamenstelling;…

We kunnen dus wel degelijk een aantal factoren herkennen die een verklaring vormen voor het ontstaan en de ontwikkeling van cohousing in Denemarken. Dit betekent echter niet dat het geen interessante woonvorm is die zich ook in andere landen kan ontwikkelen. Het boek van McCamant en Durrett maakte cohousing in Amerika reeds tot een populaire woonvorm en ook in Australië en Canada zouden er al voorbeelden te vinden zijn. Of er verschillen merkbaar zijn omwille van een andere maatschappelijke context, een andere architecturale traditie of een verschillende houding van de overheid en de bouwwereld, zijn we echter niet meer nagegaan.

Verschillende invloedsfactoren op gemeenschapsvorming Nadat we in het vorige punt de ontwikkeling van cohousing als algemene woonvorm beschouwden, kunnen we ook ingaan op cohousing als een manier om gemeenschap te creëren. Doorheen de thesis kwamen verschillende factoren aan bod die een rol spelen in het ontwikkelen van een gemeenschapsgevoel. In de beschrijving van de algemene karakteristieken van cohousing in II.2.2 werd reeds gesteld dat deze nooit los van elkaar kunnen gezien worden. Uit de projecten die we bezochten, blijkt wel dat het belang van elke factor op zich kan variëren van project tot project: soms kan er één zeer sterk bepalend zijn, soms kunnen de factoren elkaar compenseren of juist versterken,…

Het participatieproces vormt een eerste invloedsfactor. In I.1.3 en II.2.2 kwam naar voor dat de ontwikkeling en de evolutie van een proces even belangrijk zijn als het resultaat ervan, zodat we in II.2.3 dieper ingegaan zijn op de verschillende fasen bij het oprichten van een project. We kunnen met de woorden van McCamant en Durrett stellen dat het participatieproces een eerste gemeenschapsgevoel tot stand brengt, dat dan later door andere factoren in stand wordt gehouden. Bondebjerget illustreert goed dat het belang van dit proces niet te verwaarlozen is: in de projectfiche werd beschreven hoe de oorspronkelijke bewoners van de vier clusters elk in een andere mate deelgenomen hebben aan de ontwikkeling van het project, met als gevolg grote verschillen in de werking van de vier groepen nadien. Algemeen kwam bij de gesprekken met de bewoners vaak naar voor dat nieuwkomers minder deelnemen aan het gemeenschapsleven dan de oorspronkelijke bewoners. Mensen maken bij het oprichten van een project immers een heel proces door waarbij ze geleidelijk aan evolueren van een individueel denkpatroon naar een denkwijze waarbij men rekening houdt met de groep. Die bewustwording vraagt echter tijd en doorzettingsvermogen. Eens men in de gemeenschap leeft, is het makkelijker om confrontaties uit de weg te gaan terwijl men tijdens het oprichten van het project echt verplicht wordt samen te werken en elkaar te leren vertrouwen. Ook bouwt men een gemeenschappelijke ervaring op, wat achteraf een band blijft vormen tussen de bewoners.

Een volgende aspect dat bijdraagt tot gemeenschapsvorming is de architectuur van het project. Deze kunnen we niet los zien van het participatieproces, vermits de bewoners er zelf betrokken worden bij het ontwerpen van hun gebouwde omgeving.
De invloed van de architectuur op gemeenschapsvorming komt het duidelijkst naar voor in de aanwezigheid van gemeenschappelijke voorzieningen. H.S. Andersen stelde dat mensen door deze voorzieningen langzaamaan de voordelen ontdekken van dingen samen te doen. Het lijkt ons echter fout te veronderstellen dat de aanwezigheid van ruimtes sowieso tot het ontwikkelen van een gemeenschapsgevoel zal leiden. In II.1 en II.2.1 werd vermeld dat in navolging van het idee van cohousing ook andere woonvormen voorzien worden van gemeenschappelijke ruimtes, maar vaak blijkt dat er door de bewoners geen gebruik van wordt gemaakt ofwel enkel op een meer individuele manier. Binnen cohousing zelf is er langs de andere kant wel een evolutie merkbaar waar de stelling van Andersen op betrokken kan worden. Bij het eerste project, Sættedammen, had men nog niet gedacht aan de vele praktische voordelen van bijvoorbeeld samen te eten, terwijl deze aspecten nu inherent verbonden zijn aan het concept. Dit is afleesbaar in de gebouwde omgeving in die zin dat de oppervlakte van het gemeenschapshuis in recentere projecten toeneemt, terwijl de woningen kleiner worden.
Naast het mogelijk maken van activiteiten, kan het fysisch ontwerp ook dagelijks contact tussen mensen stimuleren en zo bijdragen tot het creëren van een sociale sfeer. Dit aspect vormde een onderwerp van de analyse in deel III en zullen we in een volgend punt van dit besluit meer aandacht geven.

Net zoals we hierboven zelf al opmerkten, waren ook volgens Andersen de fysische nabijheid en de gemeenschappelijke voorzieningen niet voldoende, maar zijn er gezamenlijke taken en activiteiten nodig om een sociaal netwerk op te bouwen. Deze vormen een derde en zeer belangrijke factor in het creëren van een gemeenschap. In Sættedammen merkten de bewoners zelf op dat de gebouwde vormgeving er eigenlijk niet veel meer toe doet als de gemeenschap goed werkt. Anderzijds zouden heel wat activiteiten die door individuele leden worden opgestart niet mogelijk zijn zonder de sociale context van de gemeenschap en de fysische voorzieningen. In de projectfiches wordt een idee gegeven van de variëteit aan activiteiten en de manieren waarop praktische taken georganiseerd worden, maar in realiteit doen mensen waarschijnlijk nog heel wat meer samen dan we in onze beschrijving hebben vermeld. Belangrijk blijft wel dat elke gemeenschap zelf bepaalt hoeveel gemeenschappelijk gedaan wordt en dat elke bewoner vrij kan kiezen in welke mate hij eraan deelneemt.

Deze drie elementen lijken ons de basis te vormen voor cohousing-gemeenschappen. Elk van de factoren op zich leidt tot een zeker gemeenschapsgevoel, maar in cohousing kan de bijdrage van de ene niet los gezien worden van de andere. Naast deze drie konden we in de thesis vervolgens nog een aantal invloedsfactoren opmerken, die in tegenstelling tot de vorige elk op zich geen gemeenschapsopbouwende kracht hebben.

Zo kunnen we ons afvragen of het eigenaarschap en het beheer van een project een invloed heeft op de betrokkenheid van de bewoners. Dat onder meer de vorm van eigenaarschap een invloed uitoefent op de bewonerssamenstelling, komt in cohousing zeer duidelijk naar voor. De eerste gemeenschappen werden ontwikkeld als condominium-projecten (zie II.2.3) waardoor ze enkel betaalbaar waren voor de hogere klasse. Door de wet van 1981(waar we het hiervoor al over hadden) werd het mogelijk een project als coöperatieve te beheren. Enige tijd later konden opstartende groepen in Denemarken eveneens een beroep doen op sociale huisvestingsmaatschappijen zodat ook huurwoning-projecten ontstonden, maar die bleven een minderheid. In de geschiedenis van Denemarken blijkt dat sociale huisvesting vaak een zekere tegenstrijdigheid inhoudt: men wil enerzijds betaalbare woningen voorzien voor een brede bevolkingsgroep wat moeilijk te garanderen is als de woningen privé-bezit zijn, en langs de andere kant wil men bekomen dat de bewoners zich verantwoordelijk zouden voelen alsof het om hun eigen woning gaat. Dat er een eenduidige relatie bestaat tussen eigenaarschap en de betrokkenheid van de bewoners durven we niet direct te stellen, maar het leek ons wel dat de minder goede werking in Bondebjerget vooral hierdoor veroorzaakt werd. Dit speelt des te meer mee als mensen er door een algemeen tekort aan huurwoningen via een wachtlijst terecht komen (zoals in Bondebjerget); gemeenschappelijk wonen is dan geen bewuste keuze meer, maar slechts een (tijdelijke) oplossing voor hun woningnood. Net zoals de bewoners nastreefden, lijkt het ons daarom belangrijk dat de groep zelf kan beslissen over mogelijke nieuwe leden. Ook Drejerbanken bestaat voor de helft uit huurwoningen maar daar was praktisch geen verschil te merken tussen huurders of eigenaars. Dat beide clusters gebruik maken van hetzelfde gemeenschapshuis en voor de rest ook als één groep functioneren, heeft daarop wel een zekere invloed.

Een volgende beïnvloedende factor is de bewonerssamenstelling. Dat deze in grote mate samenhangt met de vorm van eigenaarschap werd hiervoor reeds aangehaald. Wat vervolgens ook bij het bezoeken van de projecten duidelijk naar voor kwam, is de betekenis van de aanwezigheid van kinderen. Zij vormden eigenlijk de aanleiding tot het ontstaan van cohousing (zie II.2.1), zodat in heel wat projecten de gebouwde vormgeving op hen is afgestemd. Kinderen worden echter groter en zoeken na een tijd een eigen plek om te wonen. Soms brengen nieuwe bewoners jonge kinderen mee, maar in bijna alle projecten die we bezochten was het aantal kinderen met de tijd sterk afgenomen. De aanwezigheid van kinderen heeft echter niet alleen een invloed op de vormgeving van het project en het gebruik van de ruimte, maar in zekere zin vormen zij ook de basis voor het sociaal contact tussen de ouders. Sommige gemeenschappen vertelden dat ze zonder kinderen nu terug meer individueel leven, terwijl bij andere wel eenzelfde graad van gemeenschap is blijven bestaan, maar op een andere manier.

Een andere invloed die hier en daar al in naar voor kwam, maar die we toch nog apart willen vermelden, is het effect van tijd. In elke groep zijn er wel periodes waar er meer of minder samen wordt gedaan, maar algemeen beschouwd kunnen we stellen dat naarmate bewoners elkaar beter leren kennen, er minder conflicten optreden, ze elkaar leren aanvaarden en toleranter worden en dat alles niet meer zo strikt georganiseerd moet worden. Eigenlijk kwam dit ook al in het participatieproces aan bod: samen leven met anderen is een proces dat geleidelijk aan evolueert. De projecten die we bezochten, bestaan allemaal al zo’n twintig of bijna dertig jaar, waardoor de positieve invloed van tijd telkens wel naar boven kwam in de gesprekken met de bewoners.

Invloed van architectuur Doorheen de thesis zijn we er vanuit gegaan dat er een wisselwerking bestaat tussen architectuur en sociale processen. In het voorgaande punt werd de invloed van architectuur reeds genuanceerd in die zin dat het slechts één van de factoren is die een invloed heeft op het gemeenschapsleven. Toch willen we op basis van deel III nog even nagaan welke ontwerpelementen in de cohousing-projecten als belangrijk naar voor komen. We zullen ons daarbij beperken tot die elementen die duidelijk de invloed van architectuur tonen, er zijn immers veel kleine aandachtspunten maar de impact ervan is moeilijk na te gaan aangezien er zoveel andere factoren het gemeenschappelijk wonen beïnvloeden en omdat de rol van architectuur ook een beetje vervaagt wanneer de groep een goede werking kent.

Wat de gemeenschap als geheel en ten opzichte van zijn omgeving betreft, zijn er in cohousing een aantal algemeen geldende eigenschappen te herkennen die bij alle projecten terug komen en waarvan we de invloed op het gemeenschapsleven dus moeilijker kunnen inschatten. Zo zijn de projecten te beschrijven als geclusterd wonen of middeldichte laagbouw, met een gemiddelde grootte van twintig tot dertig eenheden, meestal suburbaan gelegen en vrij afgesloten van de omgeving. Parking wordt overal aan de rand gesitueerd, zodat de buitenruimte maximaal kan benut worden voor allerlei activiteiten en een veilige speelruimte voor kinderen ontstaat.
Cohousing-gemeenschappen zijn eigenlijk helemaal bedacht op voorhand en op het niveau van het siteplan gebeuren er slechts hier en daar kleine aanpassingen, niet zozeer fysisch maar eerder qua gebruik. Hoewel er in II.1 soms werd gewezen op het belang van latere uitbreidbaarheid, lijkt dit ons hier niet echt van toepassing. Bewoners hebben zelf deelgenomen aan het ontwerpen van hun omgeving, de werking is afgestemd op een welbepaalde grootte, bewoners zijn vaak fier op het geheel en willen dat zelf zo behouden.

Naast deze algemene typering kunnen we bij sommige projecten specifieke architecturale elementen bemerken, die wel een duidelijk verschil bepalen wat betreft het gemeenschapsleven en die verder ook op de andere niveaus nog aan bod zullen komen.
Wat omvang betreft is er slechts één project dat zich onderscheid van de anderen, namelijk Jerngården(1). Het blijkt dat de kleine schaal ervan een belangrijke invloed heeft. Zo onder meer op de houding van de gemeenschap ten opzichte van de omgeving: in vergelijking met andere projecten zijn de bewoners veel actiever in de buurt. Dit kunnen we natuurlijk niet los zien van de stedelijke locatie, die daartoe veel meer mogelijkheden biedt. Jerngården is van de acht bezochte projecten het enige dat in de stad gelegen is, zodat je je natuurlijk kan afvragen hoe juist de verbanden liggen tussen de kleine schaal, de stedelijke ligging en de open houding naar de omgeving. Verder zal nog blijken dat op het niveau van het gemeenschapshuis de klemtoon op het belang van een aantal ontwerpelementen bij kleine projecten heel anders komt te liggen.
Een andere ontwerpbeslissing waarbij we een verband kunnen zien met de sociale werking van de gemeenschap, is de verspreide ligging van de gebouwen in Skråplanet. Daarbij verloopt ook de circulatie doorheen het project langs allerlei kleine paadjes, waardoor minder gemakkelijk spontane ontmoetingen tot stand komen. Het is de enige gemeenschap waar niet zoveel activiteiten met alle bewoners samen gedaan worden, maar eerder in kleine groepjes onderling. Of dit veroorzaakt wordt door de architecturale vormgeving, of dat deze hier juist op afgestemd is, blijft natuurlijk de vraag.
Een derde belangrijk element, dat ook nog op de twee andere niveaus terugkomt, is de beslissing om alles onder één dak te organiseren. Dit heeft een grote invloed wat betreft circulatie en privacy, met als voordeel dat je in een klimaat als dat in Denemarken veel makkelijker en meer van de gemeenschappelijke voorzieningen gebruik kan maken (geen jas en schoenen aan te doen). Het nadeel is echter dat je dichter op elkaar woont en zo een deel van je privacy verliest, en ook akoestisch brengt dit makkelijk problemen met zich mee. Voor kinderen is het natuurlijk ideaal, zij beschikken over heel wat meer vrije en toch beschermde speelruimte. In het contact met de omgeving tenslotte zorgt deze compositie wel voor een bijkomende te overbruggen drempel.

Dit laatste wordt trouwens soms als algemene kritiek op het leven in gemeenschap gegeven, namelijk dat de projecten zich afsluiten van de omgeving en een introverte houding aannemen. Zonder hierover zelf een uitspraak te doen, willen we toch benadrukken dat architectuur daar ook een belangrijke rol in speelt. De meeste projecten richten zich tot de bewoners zelf en sluiten zich af naar de omgeving, meestal om lawaaihinder of inkijk te vermijden. Nergens is echter een vaste afsluiting geplaatst die mensen buiten houdt, wel is er een soort geleidelijke overgang van publiek domein naar het gebied van de gemeenschap. Daarbij kunnen we nog als verschil opmerken dat sommige projecten meer gewoon zijn ‘vreemden’ te zien dan anderen (door gedeelde paadjes of georganiseerde kinderopvang). Op de relatie tussen gemeenschap en omgeving zullen we verder nog terugkomen.

Waar we op het niveau van het siteplan een aantal duidelijke elementen kunnen herkennen, is dit op het niveau van de gemeenschap op zich en samengebracht in ruimtes veel moeilijker. De werking van de gemeenschap bepaalt volgens ons in veel grotere mate het gebruik van de gemeenschappelijke voorzieningen dan de architecturale vormgeving. Ook Hayden maakte al de bemerking dat er pas activiteiten gebeuren als er ruimtes voorzien zijn en dat de ruimtes slechts gebruikt worden als er activiteiten zijn. Bij cohousing worden sowieso gemeenschappelijke ruimtes voorzien, afgestemd op de noden en de behoeften van de bewoners (ze beslissen er immers samen over tijdens het participatieproces), maar het gebruik ervan blijft afhankelijk van het feit of er een goede groepswerking is en ook activiteiten georganiseerd worden.

Wat de locatie van het gemeenschapshuis betreft, blijkt dat bij een hechte gemeenschap als Sættedammen een slechte ligging nog weinig invloed heeft, net zoals de centrale ligging in Bondebjerget niet verhindert dat er in sommige clusters minder gemeenschapsgevoel leeft. Wel kunnen we in Skråplanet een zeker verband zien tussen de architectuur en de werking (zoals ook al op niveau van het siteplanaan bod is gekomen). Door de grote spreiding van de woningen en de losse circulatie kom je er niet zo snel langs het gemeenschapshuis en ook zijn er geen dagelijkse activiteiten (samen eten, de was doen, post halen, prikbord lezen,…) die je verplichten er naar binnen te gaan.
Deze laatste lijken ons een belangrijke stimulans om mensen met elkaar in contact te brengen, veel meer dan de afstand tot de woningen (sommige mensen wonen immers liever wat verder van het gemeenschapshuis) of de visuele relatie tussen binnen en buiten. Een visuele verbinding heeft wel een invloed, je ziet makkelijk wie er is of wat er te doen is, maar enkel als je er al naartoe moet komen en dat gebeurt in de eerste plaats omwille van activiteiten.

Naast de verspreide ligging, hebben ook de andere twee specifieke ontwerpelementen die hiervoor aan bod kwamen op dit niveau een belangrijke invloed. Zo is in een klein project de locatie van het gemeenschapshuis niet zo belangrijk (afstanden zijn sowieso klein) en de ruimtes lijken er direct veel huiselijker door de kleine schaal. Flexibiliteit en multifunctionaliteit zijn daarentegen wel belangrijk omdat er niet voor elke functie een aparte ruimte kan voorzien worden. Ook het samenbrengen van alle ruimtes onder één dak vermindert het belang van de afstand tot het gemeenschapshuis, je wandelt er immers eenvoudig naartoe. De overdekte binnenruimte doet daarbij zowel dienst als uitbreiding van het gemeenschapshuis als van de woningen, zodat er een zeer multifunctionele ruimte ontstaat.

Een volgend duidelijk onderscheid dat op het vlak van de gemeenschappelijke ruimtes naar voor kwam, ligt in de datering van het project. Dit heeft op twee manieren een invloed. Ten eerste is er een duidelijk verschil in de graad van openheid tussen buiten en binnen bij de projecten die vóór de energiecrisis gebouwd zijn en de andere. Deze openheid zorgt wel voor een ruimtelijke meerwaarde, maar ook voor hoge verwarmingskosten. Ten tweede is er bij latere projecten een toename van de grootte van het gemeenschapshuis merkbaar en voel je dat ze voortbouwen op elkaars ervaring. Bij de meeste projecten konden we ongeveer dezelfde architecturale elementen opmerken om de ruimte aantrekkelijk te maken en contacten te stimuleren (zoals open overgangen, halve verdiepingen en niveauverschillen, aansluiting met een buitenruimte, vlotte toegankelijkheid,…). Tijdens het participatieproces worden meestal andere gemeenschappen bezocht, wat hiervoor een eventuele verklaring kan vormen.

Wat we reeds bij het siteplan opmerkten maar daar niet zo van toepassing was, namelijk dat bij cohousing de gebouwde vormgeving meestal op voorhand bedacht wordt en latere uitbreidingen niet echt voorzien zijn, geldt wel meer voor het gemeenschapshuis. Buiten Jerngården, waar bewoners een berging en fietsenstalling bijbouwden, zijn er enkel binnen de grenzen van de bestaande constructie aanpassingen gebeurd. We merkten dat de meeste bewoners het uniforme geheel willen behouden en als ze soms toch meer gemeenschappelijke ruimte wensten, was dat financieel meestal niet haalbaar.
Wel wordt in Jystrup Savværk aangetoond hoe het voorzien van flexibele en multifunctionele ruimtes een invloed kan hebben op het gemeenschapsleven. Zij maken een variëteit aan gemeenschappelijke activiteiten mogelijk en kunnen ook als uitbreiding van de individuele woningen gebruikt worden. Bij andere projecten gaan functieveranderingen of nood aan meer ruimte meestal enkel gepaard met het verwijderen van een deur of wand.

Wat betreft de individuen in de gemeenschap, of anders gezegd de woningen, kunnen we opmerken dat er een wederzijdse beïnvloeding bestaat.
De gemeenschappelijke voorzieningen vragen van de bewoners reeds een investering, zodat het niet meer mogelijk is om voor ieder een specifieke, grote woning te bouwen.
Wat de grootte betreft mogen we anderzijds niet ontkennen dat de woningen juist kleiner kunnen zijn omwille van de gemeenschappelijke voorzieningen, zodat we in navolging van Fromm kunnen zeggen dat er tussen woning en gemeenschap een symbiotische relatie bestaat (zie II.2.2). Ook is er binnen cohousing een evolutie merkbaar naar steeds kleiner woningen, wat erop wijst dat de ‘kleinheid’ niet echt als een beperking ervaren wordt. Dit betekent wel dat de gemeenschappelijke voorzieningen niet langer als een ‘extra’ maar eerder als een noodzaak dienen. Bij het bezoeken van de projecten hebben we de woningen niet echt als te klein ervaren, meestal was er heel wat aandacht besteed om de functionaliteit en de ruimtelijkheid optimaal te maken. Zo konden we bijna overal dezelfde elementen herkennen: een open plan, halve niveaus en schuifwanden, een mezzanine of duplex, schuine plafonds, veel lichtinval, een vlotte overgang naar buiten, ….
Het leven in gemeenschap heeft niet alleen een invloed op de grootte van de woningen, maar ook op de eigen inbreng in het ontwerp van je woning. Ook dit wordt door de meeste bewoners niet als een beperking ervaren, vaak geven ze toe dat ze bij het participatieproces te veel nadruk legden op individuele keuzes. De mogelijkheid achteraf nog veranderingen te kunnen doen en een eigen inbreng aan de woningen toe te voegen, is van veel meer belang. Om de samenhang en uniformiteit te behouden gaan de bewoners zelf soms wel beperkende regels opstellen, maar bij de meeste projecten was er toch een duidelijk onderscheid tussen de woningen merkbaar. Het werken met een basisplan met latere uitbreidingsmogelijkheden, lijkt ons daartoe een efficiënte methode (zie Sol og Vind). Ook de ruimte voor de woning biedt heel wat mogelijkheden tot zelf-expressie. Bij de projecten ‘onder één dak’ wordt deze gewoon als uitbreiding van de woning beschouwd, zodat onmiddellijk duidelijk wordt wie er woont; bij de andere projecten zijn de kleine voortuinen vaak ingericht als zitplekjes.

Niet alleen heeft de gemeenschap een invloed op de woningen, omgekeerd kan het woningontwerp gevolgen hebben voor het gemeenschapsleven.
Om een gemeenschapsgevoel te ontwikkelen is er een zekere diversiteit en stabiliteit qua bewoners nodig. De bewonerssamenstelling wordt onder meer beïnvloed door de woninggrootte en typologieën. Binnen cohousing is er zoals reeds gezegd een evolutie merkbaar naar kleinere, maar meer gevarieerde woningtypes. Zo kan aan de noden van een veel bredere bevolkingsgroep worden voldaan en ook hebben de bewoners zelf de mogelijkheid om naargelang hun wijzigende behoeften binnen de gemeenschap van woning te veranderen. We moeten hierbij wel vermelden dit bij koopwoningen heel wat administratieve rompslomp met zich meebrengt; in Bondebjerget werd het daarentegen vaak gedaan (in die zin betekent de makkelijkere wissel bij huurwoningen dus wel een voordeel).
Woonstabiliteit kan nog op een andere manier mogelijk gemaakt worden, namelijk door flexibele woningen te voorzien. Zoals besproken in III.3 bestaan hiertoe verschillende mogelijkheden. Het belang ervan werd vooral duidelijk in Skråplanet, waar de zeer specifieke architectuur en het bestaan van slechts één woningtype zowel oorspronkelijk als nu nog steeds voor een homogene groep zorgde. Langs de andere kant zijn er in Sættedammen ook slechts twee woningtypes voorzien, maar door het modulaire constructiesysteem is er doorheen de tijd heel wat variatie ontstaan wat duidelijk tot veel meer diversiteit binnen de groep heeft geleid. Bij de projecten met kleine woningen kunnen we zien dat een aanpasbare indeling van de woning niet veel invloed heeft, maar eerder het voorzien van een uitbreidingszone bij het ontwerp (Sol og Vind) of de aanwezigheid van extra ruimtes bij de gemeenschappelijke voorzieningen (Jystrup Savværk).

Het woningontwerp kan op een tweede manier een invloed hebben op het leven in gemeenschap, namelijk door het stimuleren en ondersteunen van contacten tussen individu en de gemeenschap. Een zonering binnen de woningen, waarbij de keuken en eetkamer aan de kant van het gemeenschappelijk binnengebied gelegen zijn en de living en slaapkamers aan de achterzijde, konden we in bijna alle projecten opmerken. Ook is er meestal een vlotte toegang tot de woning, mensen sluiten vaak hun deuren niet zodat ze makkelijk bij elkaar binnenwandelen. De kleine voortuintjes vormen vooral in de zomer volgens de bewoners een ideale ontmoetingsplek.
Wat deze laatste aspecten betreft kunnen we opnieuw een invloed merken van de ontwerpbeslissingen die ook op de voorgaande niveaus aan bod kwamen.
Bij Jerngården is het omwille van de kleine schaal minder belangrijk om bij het woningontwerp rekening te houden met contactmogelijkheden, vermits mensen elkaar sowieso makkelijker ontmoeten. Ook privacy vormt niet zo’n groot probleem. Het was trouwens opvallend dat de bewoners de toegang langs het binnengebied als voordeur gaan beschouwen zijn, terwijl de straatkant enkel als formele ingang gebruikt wordt.
Ook het samenbrengen van de woningen onder één dak heeft een grote invloed: de overgang tussen privaat en semi-privaat en gemeenschap verloopt daar immers veel vlotter en een eventuele tussenzone is minder gedefinieerd. Toch lijkt er ons nog een verschil merkbaar tussen de grote open hall van Jernstøberiet en de gevarieerde binnenstraten van Jystrup, wat bij de bespreking ervan werd vermeld.
Als laatste heeft de uitgespreide compositie en de losse circulatie in Skråplanet als gevolg dat mensen niet zo vaak langs elkaars woningen passeren, zodat het stimuleren van contact aan de hand van het woningontwerp weinig nut heeft.

Als algemene opmerking willen we tot slot nog vermelden dat je als buitenstaander heel wat aspecten zoals bijvoorbeeld privacy als storend kan ervaren, die echter door de bewoners zelf heel anders geëvalueerd worden omdat ze elkaar kennen, samen wonen en leven en zelf ook meegewerkt hebben aan het tot stand komen van een omgeving die voldoet aan hun noden en behoeften. De verschillende ontwerpelementen die hier en in de analyse naar voor gebracht zijn, lijken ons daarom niet zomaar algemeen toepasbaar of interpreteerbaar, maar moeten gezien worden in het kader van het gemeenschapsleven, dat bij cohousing ook in grote mate bepaald wordt door de gezamenlijke activiteiten en het participatieproces.

Evaluatie van de Deense situatie en betekenis voor vandaag

Ter afsluiting willen we vanuit een evaluatie van de Deense context nagaan wat cohousing vandaag kan betekenen. Meer concreet vragen we ons af waarom mensen voor cohousing kunnen kiezen, voor wie deze woonvorm van nut kan zijn en welke houding wordt aangenomen ten opzichte van de omgeving en de rest van de maatschappij.

De oorspronkelijke doelstelling bij het ontstaan van cohousing was het creëren van een ondersteunend sociaal netwerk. De vele praktische voordelen zoals bijvoorbeeld samen eten vormden aanvankelijk geen uitgangspunt. Andere woonvormen met georganiseerde diensten, zoals het kollektivhus in Zweden, werden wel expliciet vanuit een functioneel oogpunt ontwikkeld. Nochtans kunnen we niet ontkennen dat ook in cohousing de praktische voordelen een belangrijk onderdeel geworden zijn van het gemeenschapsleven, zodat dit voor nieuwe bewoners onvermijdelijk meespeelt in hun keuze voor deze woonvorm. Om de eerste oprichtingsfasen door te maken is er nog steeds een zeker idealisme en meer overtuiging nodig, maar eens men er woont zijn het toch de kleine dagelijkse dingen die belangrijk worden.

Bewoners kunnen er ecologische opvattingen op na houden, maar aandacht voor ecologie is niet inherent verbonden met het concept van cohousing. We merken wat dit betreft wel een duidelijk verschil tussen de oudste projecten, die nog voor de energiecrisis opgericht zijn, en latere. Vanaf 1973 is naast de noodzaak tot energiebesparing algemeen een meer omgevingsbewuste en duurzame levenshouding gegroeid. Wel konden we zoals G. Meltzer ervaren dat het leven in gemeenschap hiervoor als model kan dienen: heel wat duurzame goederen worden gemeenschappelijk voorzien, vaak was er een gemeenschappelijke groentetuin, soms werd er nuttig gebruik gemaakt van passieve zonne-energie,… Bewust omspringen met energie diende echter enkel in Sol og Vind als uitgangspunt bij de vormgeving van het project. Er bestaan wel een aantal Deense projecten waar men specifiek vanuit ecologische beschouwingen kiest voor het leven in gemeenschap (cfr. Overdrevet of Ramshusene), maar deze worden in de literatuur omschreven als ‘ecologische experimenten en niet zozeer als een betekenisvolle manier om gemeenschap te creëren op zich. De reden waarom we er hier aandacht aan besteden, ligt in de vaststelling dat in België vaak een ecologische visie verbonden is aan het idee van gemeenschappelijk wonen. We willen enkel aantonen dat dit niet noodzakelijk zo hoeft te zijn, vermits deze verbondenheid volgens ons een beperking vormt naar mensen die zich aangesproken voelen door gemeenschappelijke woonvormen.

Een andere veronderstelling die mensen vaak koppelen aan gemeenschappelijk wonen, is dat deze manier van wonen een beperking zal betekenen van hun vrijheid of privacy. Bij de verschillende collectieve woonvormen die in I.2 en I.3 aan bod kwamen, werd deze bedenking vaak bevestigd. We zijn echter verder ingegaan op cohousing omdat deze woonvorm ons een evenwicht leek te bieden tussen individu en gemeenschap. Na het bezoeken van enkele projecten zijn we ervan overtuigd dat dit ook zo is. We willen daarbij wel direct vermelden dat dit niet betekent dat iedereen zich goed zou voelen bij een dergelijke manier van wonen, maar voor mensen die zich aangesproken voelen door de praktische en sociale voordelen, kan cohousing een oplossing bieden waarbij ook privacy aanwezig blijft. Bovendien is er bij de verschillende cohousing-projecten nog een grote variatie in de mate van gemeenschappelijkheid, bewoners beslissen daar bij elk project zelf over tijdens het participatieproces.

Als we ons afvragen wie in Denemarken vooral aangesproken wordt door cohousing, valt het op dat in tegenstelling tot de nagestreefde diversiteit, de bewoners van de eerste projecten een vrij homogene groep vormden (tweeverdienende gezinnen, vaak academici, met één of twee kinderen). Dat er vaak andere bewoners op af komen dan degene die men oorspronkelijk had bedoeld, konden we ook al vaststellen bij andere collectieve woonvormen (bijvoorbeeld bij de huishoudelijke coöperaties en kollektivhus, zie I.2) en in de Deense architectuurgeschiedenis (zie bijvoorbeeld Bakkehusene). Specifiek voor cohousing kunnen we doorheen de thesis enkele redenen terugvinden die dit verschijnsel verklaren: om te beginnen werd reeds vermeld dat het eigenaarschap een invloed heeft op de bewonerssamenstelling en de eerste projecten waren als koopwoningen vrij duur; bij de twee oudste gemeenschappen valt ook op dat er bijna geen variatie is in woninggroottes, wat dus een vrij homogene huishoudensamenstelling veronderstelt; tot slot wees Andersen er nog op dat bepaalde intellectuele vaardigheden en een zeker organisatietalent nodig zijn om een gemeenschap op te starten, wat ook een zekere beperking inhoudt op wie in een cohousing-project terecht komt. Deze drie beperkende invloedsfactoren zijn in Denemarken echter geëvolueerd zodat er nu heel wat meer diversiteit bestaat op het vlak van gezinssamenstelling, leeftijd en inkomensklasse van bewoners: als eerste werden door de coöperatieve eigenaarvorm of door samenwerking met een huisvestingsmaatschappij de woningen veel goedkoper; bij latere projecten werd aandacht besteed aan een variatie in woningtypes en -groottes; en ten derde is het ontwikkelen van een project makkelijker geworden omwille van de ervaring van voorgaande gemeenschappen en door de toenemende bekendheid van het concept. Bij het bezoeken van de projecten hebben we slechts terloops geïnformeerd naar de bewonerssamenstelling en dus niet met de bedoeling er hier zelf conclusies uit af te leiden. De informatie die we erover hebben staat vermeld in de projectfiches. We willen wel de opmerking van M. van Schendelen (zie I.1.3) herhalen, namelijk dat er een zekere homogeniteit nodig is om een sociaal netwerk te creëren. Homogeen moet daarbij niet zozeer omschreven worden aan de hand van status, gezinsfase en gezinsstructuur, maar eerder gezien worden als een overeenstemming wat betreft ideeën en opvattingen over contacten en relaties. Daaruit blijkt opnieuw het belang van het participatieproces, waarin de toekomstige bewoners verplicht zijn overeenstemming te vinden in hun visie over wonen. Op dat moment voel je snel aan of je je kan terugvinden in de verwachtingen van de anderen en kan je nog gemakkelijker beslissen er niet mee door te gaan. Eens men samen woont, brengt zoiets veel meer spanning met zich mee.

Om af te sluiten willen we nog even ingaan op een aspect dat wij zelf vrij belangrijk vinden en waar mensen snel een oordeel over formuleren: namelijk de relatie tussen de gemeenschap en haar omgeving. Soms wordt cohousing immers als introvert bekritiseerd: door de vele activiteiten en taken binnen de gemeenschap zouden de bewoners niet langer de tijd of de behoefte hebben zich erbuiten te engageren of zich te integreren in de omgeving en ook hebben we reeds vermeld dat de meeste projecten zich qua vormgeving eerder afsluiten van hun omgeving. Toch willen we dit nuanceren aan de hand van enkele bedenkingen.
Wat architectuur betreft hebben we reeds vermeld dat er nergens een afsluiting aanwezig is, maar eerder een geleidelijke overgang van een publieke naar een semi-publieke zone. Mensen zijn dus wel welkom, maar met respect voor het gebied dat ze betreden. Ook mogen we de invloed van de ligging en de grootte van het project niet onderschatten. In Jerngården, klein en in de stad gelegen, bleken de bewoners immers zeer actief te zijn in hun omgeving, terwijl bij een suburbane ligging sowieso veel minder contact tussen de verschillende wijken of bewoners bestaat.
Belangrijk is ook dat het niet alleen van de bewoners afhangt welke relatie er met de omgevende buurt bestaat. Bij de oprichting van de oudere projecten werd de groep vaak met argwaan bekeken, de reputatie van de commune die we in I.2 schetsten was toen nog zeer sterk aanwezig. Nu de woonvorm meer gekend is neemt deze reactie wel af, maar toch blijft er vaak nog twijfel. Bewoners vertelden vaak hoe ze zich in het begin elk persoonlijk gingen voorstellen aan de buurt, hoe ze informatievergaderingen organiseerden, mensen uitnodigden om te komen kijken dat zij maar een gewoon leven leiden, feesten organiseerden om mensen vertrouwd te maken,… Als er kleine kinderen waren, engageerden ze zich ook vaak in de schoolwerking of werd er kinderopvang georganiseerd.
Sommige projecten werken nu nog steeds als een soort ‘sociaal centrum’, waarbij buurtbewoners uitgenodigd worden voor bepaalde activiteiten of feesten, terwijl andere groepen meer afstand genomen hebben. Algemeen denken we dat er zowel als individu als bij een gemeenschap bepaalde periodes zijn waarop je je meer of minder bezig houdt met je omgeving. Net zoals we ervaren hebben dat er in cohousing een evenwicht bestaat in de verhouding tussen individu en gemeenschap, lijkt het ons daarom dat bij de bezochte gemeenschappen eenzelfde evenwicht gevonden is in de relatie met de omgeving.