|
Tussen individualiteit & collectiviteit Leven in woongroep of centraal wonen-project |
|
Deel 4:
Aspecten van de woongroep geanalyseerd
|
|
13.
Wonen De meerderheid van de groepen die door Van Ussel (1972) en Harrie Jansen (1985) onderzocht werden woonden in een gehuurde woning. Deze huurwoningen zijn in bijna de helft van de gevallen per kamer gehuurd; in ongeveer een derde van de gevallen is een van de groepsleden hoofdhuurder waarbij de andere leden medehuurder of onderhuurder zijn. In de overige gevallen is de woning door de groep als geheel gehuurd. Een derde van de groepen woont in een gekochte woning. In een derde van deze gevallen is de woning door alle leden samen gekocht. Groepen die gezamenlijk een huis willen kopen stuiten daarbij nogal eens op problemen. Veel banken willen bijvoorbeeld geen hypotheek verlenen op een huis in onverdeeldheid. Sommige groepen beslissen daarom om een VZW of zelfs een CVBA of BVBA op te richten. De behuizing verschilt zeer sterk van elkaar. In de enquête van Aarde-Werk vond men woongroepen in burgerwoningen, hoeves, een voormalige fabriek, een kasteel, een Engels landhuis, een voormalig bisschoppelijk paleis, een watermolen met maalderij en woonerven. Wonen in woongroepen verschilt van het wonen in het kerngezin vooral doordat de huishoudelijke arbeid in woongroepen gezamenlijk (door de groep) wordt uitgevoerd. Huishoudelijke arbeid omvat taken als: koken, schoonmaken, wassen, kinderverzorging en opvoeding, het verzorgen van huisdieren, en ook: het verrichten van grote en kleine reparaties in huis. Verreweg de meeste groepen hebben als uitgangspunt dat iedereen evenveel doet aan het huishoudelijk werk. Volgens Poldervaart (1985:164) vormen woongroepen hierdoor de eerste historische poging om de arbeidsdeling naar sekse te doorbreken. Hoe is de huishoudelijke arbeid in de praktijk geregeld? Alles wat direct met het warm eten samenhangt (koken, afwas, boodschappen) is in vrijwel alle groepen (Jansen 1990:82-83; Van Ussel 1972:102; Poldervaart 1985:163-169) als groepstaak gedefinieerd. Dat geldt ook voor stofzuigen. Maar bijvoorbeeld het ontbijt en de (kleding-)was zijn meestal niet gemeenschappelijk. De gezamenlijke huishouding blijkt veel aanleiding te geven tot conflicten. De problemen die zich m.b.t. deze huishoudelijke taken wel eens stellen (Aarde-Werk: 1994:10) zijn: - onevenwicht van inzet van de verschillende bewoners
Hoewel de gemeenschappelijke huishouding in woongroepen de nodige conflicten
oplevert en vrouwen zich ervoor toch meer verantwoordelijk blijven voelen
dan mannen geven de meeste mensen uit de enquête van Weggemans (1985:168)
aan dat het wonen in groep hen juist bevalt door de huishoudelijke regelingen.
Poldervaart verklaart dit door erop te wijzen dat een aantal kenmerken
van het huisvrouw zijn in een gezin niet meer gelden voor mensen in woongroepen.
Het isolement is er minder groot en de eentonigheid van de huishoudelijke
arbeid wordt doorbroken door het bestaan van een huishoudrooster en/of
een roulatiesysteem. Huishoudelijke taken worden leuker als je ze niet
dagelijks hoeft te doen en de waardering van anderen is ook groter omdat
de taken niet meer automatisch aan één persoon zijn gekoppeld.
De meeste groepen hebben een gemengde economie waarbij een deel van de
inkomens in een gemeenschappelijke kas gaat en de rest van het inkomen
individueel besteed wordt. Jansen (1990:80-81) vond toch nog dat 6% van
de door hem onderzochte groepen een volledige financiële collectivering
had doorgevoerd; waarbij dus alle inkomens in een gemeenschappelijke kas
gaan en gezamenlijk wordt beslist over de bestedingen. Een ander aspect van materiële collectivering is de mate waarin dingen in huis in gemeenschappelijk bezit of gebruik zijn. In de verschillende enquêtes (Van Ussel 1972:101-102; Jansen 1990:82; Weggemans en Poldervaart 1985:170-172; Aarde-Werk 1994:9) blijkt dat (dure) huishoudelijke apparaten (koelkast, diepvriezer, wasmachine, keukengerief, televisie, ) en werkmateriaal het vaakst gemeenschappelijk bezit zijn of gemeenschappelijk gebruikt worden. In een minderheid van de woongroepen zijn ook meubilair, CD's, boeken en soms zelfs kleding gemeenschappelijk bezit.
Een doelstelling van veel woongroepen en Centraal Wonen-projecten is het
soberder leven. Wanneer verschillende mensen (gedeeltelijk) samen een
huishouding voeren is het enigszins te verwachten dat men bewuster consumeert.
Door het delen van verschillende gebruiksgoederen 'consumindert' men ook. 17. Kinderopvoeding
en verzorging
Er zijn veel verschillende manieren waarop kinderen en volwassenen samenleven
en daarmee veel verschillende opvoedingssituaties. Deze zijn te rangschikken
in de mate waarin anderen dan de eigen ouders betrokken zijn bij de opvoeding
van de kinderen. Figuur 1 Verschillende opvoedingssituaties. Tussen de woongroepen onderling bestaan er aanmerkelijke verschillen in de mate van de gemeenschappelijkheid. Enerzijds zijn er groepen waarbinnen de gezinnen een eigen woonruimte hebben en de huishouding slechts beperkt samen gedaan wordt, anderzijds zijn er groepen die de huishouding helemaal gemeenschappelijk doen en ook de zorg voor de kinderen delen. De eindverantwoordelijkheid voor de opvoeding van de kinderen blijft ook in dit laatste geval echter steeds bij de ouders liggen. 18. Besluitvorming en
organisatie De meeste woongroepen en Centraal Wonen-projecten werken met een consensus-systeem voor beslissingen. Dit is democratischer dan stemmen per hoofd en heeft het voordeel dat er geen 'verliezers' zijn. In haar boek, Collaborative Communities, geeft Dorit Fromm (Fromm 1991: 169) de 6 belangrijkste stappen in het consensus-proces.
1. Kwestie: het probleem wordt omschreven Wanneer iemand niet akkoord kan gaan met een voorstel kan hij/zij zijn/haar veto stellen. De meeste gemeenschappen hebben een regeling uitgewerkt indien er geen consensus gevonden wordt. In N street, een cohousing project in Californië gaat men dan over op een drie maanden durende inspanning waarbij tenminste om de twee weken vergaderd wordt over de kwestie tot er consensus gevonden wordt. Indien er dan nog geen consensus is, wordt er alsnog gestemd. Muir Commons, een cohousing project eveneens in Californië heeft een diagram van hun consensusproces gemaakt. FORMAL CONSENSUS PROCESS Introduction LEVEL ONE LEVEL TWO No LEVEL THREE No CLOSING OPTIONS No Yes Eén van de meest volledige omschrijvingen over beslissen bij consensus die ik vond op het internet is de volgende: "Consensus is a group decision - which some members may not feel is the best decision but which they can all live with, support, and commit themselves to not undermine - arrived at without voting, through a process whereby the issues are fully aired, all members feel that they have been adequately heard, in which everyone has equal power and responsibility, and different degrees of influence by virtue of individual stubbornness or charisma are avoided, so that all are satisfied with the process. The process requires the members to be emotionally present and engaged; frank in a loving, mutually respectful manner; sensitive to each other; to be selfless, dispassionate, and capable of emptying themselves; and possessing a paradoxical awareness of both people and time, including knowing when the solution is satisfactory, and that it is time to stop and not reopen the discussion until such time that the group determines a need for revision." (Peck 1991: 27) Consensus is de modus operandi in woongroepen en Centraal Wonen-projecten zowel in Europa als in Australië en de V.S.. Natuurlijk is er meer tijd en energie nodig om problemen op te lossen d.m.v. consensus maar beslissingen die op deze wijze zijn genomen zijn meestal beter en houden langer stand. Naast het consensus systeem is het ook mogelijk om een bepaalde persoon of een groep mensen een soort volmacht en volledig beslissingsrecht te geven om een bepaald welomschreven project te realiseren. Dit 'delegeren' is gebaseerd op wederzijds vertrouwen en zorgt ervoor dat niet over alles vergaderd moet worden. Het is ook wel interessant om te laten zien in welke mate woongroepen hun dagelijks leven geregeld hebben. Weggemans (1990: 81-82) heeft een ranglijst samengesteld van de meest geregelde onderwerpen in woongroepen. Aangegeven is welk percentage van de onderzochte woongroepen een bepaalde regeling kent. Uit de tabel blijkt dat, zoals te verwachten was, de meest frequent voorkomende activiteiten ook het meest geregeld zijn. Verder hebben veel voorkomende regelingen vooral betrekking op financiële zaken.
[100%] Verrekening telefoonkosten 19. Kritiek op het pleidooi voor de herwaardering
van lokale |
|
©
1999-2002 Roland Kums
|