Tussen individualiteit & collectiviteit
Leven in woongroep of centraal wonen-project
Deel 4: Aspecten van de woongroep geanalyseerd

13. Wonen
14. Huishoudelijke arbeid
15. Inkomen & bezit
16. Ecologische aspecten
17. Kinderopvoeding en verzorging
18. Besluitvorming en organisatie
19. Kritiek op het pleidooi voor de herwaardering van lokale gemeenschappen

13. Wonen

De meerderheid van de groepen die door Van Ussel (1972) en Harrie Jansen (1985) onderzocht werden woonden in een gehuurde woning. Deze huurwoningen zijn in bijna de helft van de gevallen per kamer gehuurd; in ongeveer een derde van de gevallen is een van de groepsleden hoofdhuurder waarbij de andere leden medehuurder of onderhuurder zijn. In de overige gevallen is de woning door de groep als geheel gehuurd.

Een derde van de groepen woont in een gekochte woning. In een derde van deze gevallen is de woning door alle leden samen gekocht. Groepen die gezamenlijk een huis willen kopen stuiten daarbij nogal eens op problemen. Veel banken willen bijvoorbeeld geen hypotheek verlenen op een huis in onverdeeldheid. Sommige groepen beslissen daarom om een VZW of zelfs een CVBA of BVBA op te richten.

De behuizing verschilt zeer sterk van elkaar. In de enquête van Aarde-Werk vond men woongroepen in burgerwoningen, hoeves, een voormalige fabriek, een kasteel, een Engels landhuis, een voormalig bisschoppelijk paleis, een watermolen met maalderij en woonerven.

14. Huishoudelijke arbeid

Wonen in woongroepen verschilt van het wonen in het kerngezin vooral doordat de huishoudelijke arbeid in woongroepen gezamenlijk (door de groep) wordt uitgevoerd. Huishoudelijke arbeid omvat taken als: koken, schoonmaken, wassen, kinderverzorging en opvoeding, het verzorgen van huisdieren, en ook: het verrichten van grote en kleine reparaties in huis. Verreweg de meeste groepen hebben als uitgangspunt dat iedereen evenveel doet aan het huishoudelijk werk. Volgens Poldervaart (1985:164) vormen woongroepen hierdoor de eerste historische poging om de arbeidsdeling naar sekse te doorbreken.

Hoe is de huishoudelijke arbeid in de praktijk geregeld? Alles wat direct met het warm eten samenhangt (koken, afwas, boodschappen) is in vrijwel alle groepen (Jansen 1990:82-83; Van Ussel 1972:102; Poldervaart 1985:163-169) als groepstaak gedefinieerd. Dat geldt ook voor stofzuigen. Maar bijvoorbeeld het ontbijt en de (kleding-)was zijn meestal niet gemeenschappelijk.

De gezamenlijke huishouding blijkt veel aanleiding te geven tot conflicten. De problemen die zich m.b.t. deze huishoudelijke taken wel eens stellen (Aarde-Werk: 1994:10) zijn:

- onevenwicht van inzet van de verschillende bewoners
- drukke bezigheden van de bewoners (tijd)
- dagelijkse kleine problemen (afspraken niet nakomen, karakterverschillen, )
- verschil in 'netheidsnorm', inzicht in netheid


Wat betreft de netheidsnorm blijkt er in de meeste groepen naar verloop van tijd een soort 'nivellering' te gebeuren: men doet concessies totdat men als groep een soort gemiddelde netheidsnorm vindt.
Overigens komt Jansen tot de bevinding dat er minder problemen zijn naar gelang er meer gezamenlijk overlegd wordt. In een groot deel van de woongroepen is dergelijk overleg geregeld in de vorm van regelmatige overlegmomenten.
Uit ervaring weet ik dat het beter is niet te veel vaste regels en afspraken te maken maar een klein aantal basisregels overeen te komen waar niet van afgeweken mag worden. In één groep waar ik woonde was de regel: als twee (of meer) mensen het met iets niet eens zijn wordt dit gemeld.

Hoewel de gemeenschappelijke huishouding in woongroepen de nodige conflicten oplevert en vrouwen zich ervoor toch meer verantwoordelijk blijven voelen dan mannen geven de meeste mensen uit de enquête van Weggemans (1985:168) aan dat het wonen in groep hen juist bevalt door de huishoudelijke regelingen. Poldervaart verklaart dit door erop te wijzen dat een aantal kenmerken van het huisvrouw zijn in een gezin niet meer gelden voor mensen in woongroepen. Het isolement is er minder groot en de eentonigheid van de huishoudelijke arbeid wordt doorbroken door het bestaan van een huishoudrooster en/of een roulatiesysteem. Huishoudelijke taken worden leuker als je ze niet dagelijks hoeft te doen en de waardering van anderen is ook groter omdat de taken niet meer automatisch aan één persoon zijn gekoppeld.
Poldervaart concludeert dat, hoewel collectivering van huishoudelijke arbeid de nodige problemen oplevert en aanpassingen vereist, het wonen in woongroepen voor de meeste vrouwen een taakverlichting en tijdsbesparing betekent vergeleken met vrouwen in gezinnen. En tevens dat er bij zowel vrouwen als mannen een begin is gemaakt met de in praktijk zo moeilijk te veranderen gebleken arbeidsdeling naar sekse.

15. Inkomen & bezit

De meeste groepen hebben een gemengde economie waarbij een deel van de inkomens in een gemeenschappelijke kas gaat en de rest van het inkomen individueel besteed wordt. Jansen (1990:80-81) vond toch nog dat 6% van de door hem onderzochte groepen een volledige financiële collectivering had doorgevoerd; waarbij dus alle inkomens in een gemeenschappelijke kas gaan en gezamenlijk wordt beslist over de bestedingen.
Bij de groepen met een gemengde economie is er een grote mate van variatie in het aantal en de aard van de uitgaven die gecollectiveerd zijn. Jansen (1990:80-81) maakte een rangschikking van een aantal zaken naargelang de frequentie waarin ze in woongroepen gecollectiveerd voorkomen. Schoonmaakartikelen waren het vaakst gecollectiveerd en daarna komen achtereenvolgens dagbladen, warm eten, ontbijt, drank en telefoonkosten.

Een ander aspect van materiële collectivering is de mate waarin dingen in huis in gemeenschappelijk bezit of gebruik zijn. In de verschillende enquêtes (Van Ussel 1972:101-102; Jansen 1990:82; Weggemans en Poldervaart 1985:170-172; Aarde-Werk 1994:9) blijkt dat (dure) huishoudelijke apparaten (koelkast, diepvriezer, wasmachine, keukengerief, televisie, ) en werkmateriaal het vaakst gemeenschappelijk bezit zijn of gemeenschappelijk gebruikt worden. In een minderheid van de woongroepen zijn ook meubilair, CD's, boeken en soms zelfs kleding gemeenschappelijk bezit.

16. Ecologische aspecten

Een doelstelling van veel woongroepen en Centraal Wonen-projecten is het soberder leven. Wanneer verschillende mensen (gedeeltelijk) samen een huishouding voeren is het enigszins te verwachten dat men bewuster consumeert. Door het delen van verschillende gebruiksgoederen 'consumindert' men ook.
Daarnaast proberen veel Centraal Wonen-projecten rekening te houden met ecologische aspecten. Ze trachten hun huizen zo goed mogelijk te integreren in de open ruimte en de open ruimte optimaal te benutten door het groeperen van wooneenheden. Altijd beperken ze de toegang voor auto's op hun terrein. Dikwijls maakt men gebruik van duurzame bouwmaterialen en zoekt men naar hernieuwbare energiebronnen zoals zonne- of windenergie.

17. Kinderopvoeding en verzorging

Er zijn veel verschillende manieren waarop kinderen en volwassenen samenleven en daarmee veel verschillende opvoedingssituaties. Deze zijn te rangschikken in de mate waarin anderen dan de eigen ouders betrokken zijn bij de opvoeding van de kinderen.
In figuur 1 is deze ordening weergegeven met links weinig gedeelde verantwoordelijkheid en rechts veel gedeelde verantwoordelijkheid met anderen.

Figuur 1 Verschillende opvoedingssituaties.

Tussen de woongroepen onderling bestaan er aanmerkelijke verschillen in de mate van de gemeenschappelijkheid. Enerzijds zijn er groepen waarbinnen de gezinnen een eigen woonruimte hebben en de huishouding slechts beperkt samen gedaan wordt, anderzijds zijn er groepen die de huishouding helemaal gemeenschappelijk doen en ook de zorg voor de kinderen delen. De eindverantwoordelijkheid voor de opvoeding van de kinderen blijft ook in dit laatste geval echter steeds bij de ouders liggen.

18. Besluitvorming en organisatie

De meeste woongroepen en Centraal Wonen-projecten werken met een consensus-systeem voor beslissingen. Dit is democratischer dan stemmen per hoofd en heeft het voordeel dat er geen 'verliezers' zijn.

In haar boek, Collaborative Communities, geeft Dorit Fromm (Fromm 1991: 169) de 6 belangrijkste stappen in het consensus-proces.

1. Kwestie: het probleem wordt omschreven
2. Discussie: het probleem en mogelijke bezwaren worden bediscussieerd.
3. Verbeteringen: terwijl men ideeën en oplossingen voorstelt, vullen anderen aan of geven suggesties.
4. Test voor consensus: de discussieleider formuleert samenvattend het groepsstandpunt en peilt of hiervoor consensus bestaat.
5. Voorstel: indien iedereen akkoord is wordt een concreet voorstel geformuleerd en wordt gevraagd naar bezwaren.
6. Formele consensus: de bezwaren worden bediscussieerd tot er consensus bereikt wordt.

Wanneer iemand niet akkoord kan gaan met een voorstel kan hij/zij zijn/haar veto stellen. De meeste gemeenschappen hebben een regeling uitgewerkt indien er geen consensus gevonden wordt. In N street, een cohousing project in Californië gaat men dan over op een drie maanden durende inspanning waarbij tenminste om de twee weken vergaderd wordt over de kwestie tot er consensus gevonden wordt. Indien er dan nog geen consensus is, wordt er alsnog gestemd.

Muir Commons, een cohousing project eveneens in Californië heeft een diagram van hun consensusproces gemaakt.

FORMAL CONSENSUS PROCESS
Developed by Muir Commons

Introduction
Proposal
Questions which clarify proposal

LEVEL ONE
General Discussion
Call for consensus Yes

LEVEL TWO No
List all concerns
Discussion
Call for consensus Yes CONSENSUS

LEVEL THREE No
Restate concerns (one at a time) Unresolved concerns listed
Questions which clarify the concern
Discussion limited to one concern Plan for
Implementation
Are all concerns resolved? Yes

CLOSING OPTIONS No Yes
Tabel 5 Consensusproces in Muir Commons

Eén van de meest volledige omschrijvingen over beslissen bij consensus die ik vond op het internet is de volgende:

"Consensus is a group decision - which some members may not feel is the best decision but which they can all live with, support, and commit themselves to not undermine - arrived at without voting, through a process whereby the issues are fully aired, all members feel that they have been adequately heard, in which everyone has equal power and responsibility, and different degrees of influence by virtue of individual stubbornness or charisma are avoided, so that all are satisfied with the process. The process requires the members to be emotionally present and engaged; frank in a loving, mutually respectful manner; sensitive to each other; to be selfless, dispassionate, and capable of emptying themselves; and possessing a paradoxical awareness of both people and time, including knowing when the solution is satisfactory, and that it is time to stop and not reopen the discussion until such time that the group determines a need for revision." (Peck 1991: 27)

Consensus is de modus operandi in woongroepen en Centraal Wonen-projecten zowel in Europa als in Australië en de V.S.. Natuurlijk is er meer tijd en energie nodig om problemen op te lossen d.m.v. consensus maar beslissingen die op deze wijze zijn genomen zijn meestal beter en houden langer stand.

Naast het consensus systeem is het ook mogelijk om een bepaalde persoon of een groep mensen een soort volmacht en volledig beslissingsrecht te geven om een bepaald welomschreven project te realiseren. Dit 'delegeren' is gebaseerd op wederzijds vertrouwen en zorgt ervoor dat niet over alles vergaderd moet worden.

Het is ook wel interessant om te laten zien in welke mate woongroepen hun dagelijks leven geregeld hebben. Weggemans (1990: 81-82) heeft een ranglijst samengesteld van de meest geregelde onderwerpen in woongroepen. Aangegeven is welk percentage van de onderzochte woongroepen een bepaalde regeling kent. Uit de tabel blijkt dat, zoals te verwachten was, de meest frequent voorkomende activiteiten ook het meest geregeld zijn. Verder hebben veel voorkomende regelingen vooral betrekking op financiële zaken.

[100%] Verrekening telefoonkosten
[100%] Verdeling woonlasten
[94%] Verrekening kosten van het eten
[94%] Afwas
[91%] Toegankelijkheid privé-vertrekken
[90%] Dagelijkse boodschappen
[87%] Voorrang huidige bewoners bij vrijkomen woonruimte
[83%] Schoonmaakregeling
[80%] Maximum aantal bewoners van het huis
[79%] Koken warm eten
[73%] Kosten van duurzame gebruiksgoederen
[63%] Selectie van nieuwe bewoners
[59%] Kwaliteitsnormen m.b.t. het eten
[59%] Wekelijkse boodschappen
[56%] Afspraken over huisdieren
[51%] Huisvergaderingen
[45%] Overlast van hobby's
[42%] Financiële vergoeding bij vertrek
[30%] Klussenregeling
[30%] Individuele wensen m.b.t. het eten
[28%] Omgaan met problemen van groepsleden
[18%] Wasregeling
[17%] Vorm van inkomensnivellering
[13%] Minimale woonduur van de groepsleden
Tabel 6 De frequentie van regelingen in woongroepen (n=71)

19. Kritiek op het pleidooi voor de herwaardering van lokale
gemeenschappen

vervolg

© 1999-2002 Roland Kums