|
Tussen individualiteit & collectiviteit Leven in woongroep of centraal wonen-project |
|
Deel 4:
Aspecten van de woongroep geanalyseerd
|
|
13.
Wonen 19. Kritiek op het pleidooi voor de herwaardering
van lokale Een samenvatting van "De naakte samenleving" van Koen Raes
In zijn bijdrage "De naakte samenleving" (1997) plaatst Koen
Raes eerst de hedendaagse veiligheidsproblematiek in een ruimer kader.
Volgens hem contrasteert het optimistische levensgevoel uit de jaren zestig
met de onzekerheden die in de geest van de actuele, postmoderne mens hebben
postgevat. Burgers en overheid (in dit verkiezingsjaar met name politieke
partijen) projecteren hun frustraties en angsten als het ware op de straatcrimineel
en de vluchteling/vreemdeling. Ondertussen wordt voorbijgegaan aan een
context waarin wereldomvattende processen van delokalisatie, werkloosheid
en flexibilisering en waarin de onzekerheden die onze hoogtechnologische
bestaanswijze met zich mee brengen, wellicht meer voedsel geven aan een
abstract, existentieel angstgevoelen dan die zo sterk in de kijker gestelde,
toenemende (straat)criminaliteit. De behoefte aan veiligheid is een menselijke basisbehoefte. Zij maakt affectiviteit, zorgzaamheid en solidariteit tussen mensen mogelijk. Waar de overheid en de openbare ruimte steeds minder veiligheidsankers kunnen bieden zal de mens vanzelf zijn veiligheid zoeken in kleinere verbanden. De veiligheidsproblematiek wordt aldus gedepolitiseerd, of sterker: geprivatiseerd. Raes stelt dat ook het communitarisme deze koers niet zal kunnen keren.
Wat verstaat Raes onder het communitarisme en de communitaristische beweging?
Mensen leven, zeker in de grote steden, steeds minder in lokale verbanden
en ook fungeert dat lokale verband steeds minder als normatieve referentiegroep.
Eigen aan de moderne mens is immers dat hij in verschillende netwerken
wordt gesocialiseerd. Zelfs indien er in lokale gemeenschappen voldoende
voedingsbodem aanwezig zou zijn om een substantiële wij-identiteit
te ontwikkelen is het nog maar de vraag of deze wenselijk is. Zou dit
niet onvermijdelijk leiden in de richting van monoculturele wijken, gettovorming
en apartheid?
In een volgend hoofdstukje situeert Raes de pleidooien voor de herwaardering
van local communities in een ruimere context. Volgens hem zijn pleidooien
voor deze herwaardering zo oud als de eerste steden. De stad was immers
de anonieme ruimte waar mensen ongebonden in konden bewegen en het risico
op het verval van morele waarden bijgevolg groter werd. De pastorale wereld
herkende als een van de eersten dit dreigende gevaar en trachtte kleinere
gemeenschappen binnen een stad te organiseren (de parochies!). Ook in de Amerikaanse samenleving loopt het longing for community als een rode draad door alle cultuurkritiek. De lokale gemeenschap zou een overdreven individualisme helpen voorkomen. Toch dreigen juist de meer begoede klassen zich in hun kleine gemeenschap te isoleren en zich af te keren van grote maatschappelijke problemen. In een maatschappij waarin er reeds meer private bewakers zijn dan politieagenten dreigt een communitaristische retoriek zich tegen de intenties van haar ontwerpers juist af te keren van de grote maatschappelijke problemen. De gemeenschap is in de eerste plaats home, my local community, met de nadruk op my. Men spreekt in dit verband ook wel van gated communities.
Vervolgens gaat Raes nader in op de moderne stadssociologie. Verstedelijking
en modernisering werden in het werk van de eerste sociologen steeds als
wezenlijk problematisch opgevat, als stonden zij haaks op de menselijke
natuur. De stedelijke samenleving werd voortdurend in oppositie met de
agrarische samenleving gesteld. In de stad zou de mens, bij gebrek aan
oprechte face to face-relaties, steeds gedoemd zijn om slechts een acteur
te zijn, rollen te spelen. Die opvatting wordt door Richard Sennett radicaal
in vraag gesteld. Sociabiliteit vereist steeds een bereidheid en bekwaamheid
tot acteren, tot het innemen en vertolken van een specifieke rol. Een
onbemiddelde sociabiliteit is een contradictio in terminis. Waar moraliteit
uitsluitend met een authentieke, waarachtige en zichzelf revelerende persoon
wordt vereenzelvigd, wordt het ontwikkelen van een sociale moraal bemoeilijkt.
Dan is zij inderdaad maar mogelijk in persoonlijke contexten, wordt zij
daartoe beperkt. Maar juist de onpersoonlijke cultuur van de grootstedelijke
samenleving draagt de mogelijkheid in zich van een ander type van moraal,
een andere opvatting van sociabiliteit, die ook onder vreemden kan gelden. Sennett ziet twee belangrijke oorzaken voor het verval van de publieke mens en van de cultuur van de openbaarheid. (1) Door de instrumentalisering van de openbare ruimte in functie van daaraan externe doeleinden, verloor zij haar betekenis als eigensoortige praktijk. (2) Door de identificatie van moraliteit met sterk persoonsgebonden motivaties en affecten verloor de publieke ruimte haar morele appèl, werd zij een amorele ruimte die slechts door middel van externe (politieke) dwang in bedwang kon worden gehouden. Raes gaat nu wat dieper in op beide oorzaken.
De meest opvallende en doorgedreven instrumentalisering van de openbare
(vooral de stedelijke) ruimte is veroorzaakt door de expansie van het
autoverkeer. De buitenproportionele snelheid waarmee de auto door de stad
scheurt verdringt alle andere activiteiten. Het landschap en de stedelijke
structuur werden volledig vanuit zijn functies en grensverleggende snelheden
hertekend. Ontsluiting wordt dat genoemd, maar in feite wordt de ruimte
instrumenteel gekoloniseerd. De naoorlogse generatie richtte een frontale aanval op allerlei regelgehelen waarvan zij het kleinburgerlijke en conservatieve karakter aan de kaak stelde. Deze kritiek was zeker een morele kritiek, gericht als zij was op hypocrisie, inauthenticiteit, oneerlijkheid en onrechtvaardigheid. Men kwam op voor ware liefde, ware vriendschap, ware gerechtigheid en vrede. Zij wilden deze ethiek verwezenlijkt zien in een ruim netwerk van familie en vrienden. Volgens Sennett, en Raes sluit zich bij hem aan, lag de zwakte van deze revolutie in het feit dat zij zeden, gewoonten en waarden nog slechts in morele termen begreep. Zij droeg op die manier bij aan de erosie van het publieke leven juist omdat zij geen oog meer had voor de rituele of procedurele aspecten van geldende codes. Sommige gedragscodes werden gemoraliseerd, gevraagd naar hun zin, waardoor hun betekenis en het gedrag dat zij mogelijk maakten werden vernietigd. 'Talrijke sociale regels sneuvelden zo op het altaar van een moraliteit, die echter niet in staat was ze te vervangen', aldus Raes.
Door het in vraag stellen van talrijke tradities en conventies zijn vele
samenlevingsverbanden 'uitgekleed'. De conventionele omgangsvormen zijn
verdwenen en nieuwe laten (nog?) op zich wachten. Volgens Raes is het
juist dit gebrek aan houvast dat zorgt voor angst, onzekerheid en onveiligheidsgevoelens.
Raes' eindconclusie is tweeledig. Allereerst heeft de openbare ruimte
nood aan het terugdringen van haar instrumentalisering. Ze moet opnieuw
om zichzelf worden gewaardeerd en er moet méér openbare
ruimte worden gecreëerd. Daarnaast is er nood aan het terugdringen
van een zuiver persoonlijke opvatting van moraliteit waarin het vreemde
als amoreel of bedreigend wordt ervaren.
|
|
©
1999-2002 Roland Kums
|