|
Tussen individualiteit & collectiviteit Leven in woongroep of centraal wonen-project |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Deel 3:
Situering van de hedendaagse woongroep
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
8.
Definitie van de woongroep
Er zijn talrijke definities in omloop van de term woongroep. Afhankelijk
van welke aspecten men centraal stelt en welke men naar de achtergrond
verschuift ontstaat een andere definiëring. In zijn proefschrift
'De regels van de woongroep.' geeft Tony Weggemans (Weggemans 1990: 28)
een analyse van 29 verschillende definities. Er blijkt veelal overeenstemming
te zijn over de volgende criteria:
Ter illustratie geven we enkele definities die o.a. deze criteria hanteren: "Onder een woongroep verstaan
we een groep, bestaande uit drie of meer zelfstandige personen, eventueel
met kinderen, die een primair samenlevingsverband vormen als alternatief
voor meer traditionele woon- en leefvormen." (Poldervaart 1983: 11) Het is ook van belang om niet alleen te beschrijven wat woongroepen wél zijn maar ook wat ze niét zijn, m.a.w. ze te plaatsen tegenover bestaande begrippen. Hierover schrijft Weggemans (1990: 31-33): "Een woongroep is in de eerste plaats geen gezin. Het betreft nl. een leefverband van meer dan twee volwassenen. Bij een gezin vallen de begrippen 'huishouding' en 'huishouden' samen het eerste als geheel van activiteiten rond voeding en verzorging, het tweede als de sociale eenheid (eenheden) die deze huishouding in handen neemt. Een woongroep is dan een aantal huishoudens die een gemeenschappelijke huishouding opgezet hebben maar daarnaast 'soeverein' blijven."
Tenslotte sluit Weggemans nog een aantal andere gemeenschappen uit:
9. Wie woont er in woongroepen?
De typische woongroep bestaat niet, ook al omdat het nu eenmaal de woonvorm
bij uitstek is die variaties in leefpatronen mogelijk maakt. Er is een
grote diversiteit tussen de verschillende soorten woongroepen, zowel qua
samenstelling, collectiveringsgraad, infrastructuur enz.. Er zijn homogene
en heterogene groepen wat betreft leeftijd en gezinssituatie.
Tabel 4 Verdeling van de leden naar individuele
woonwijze (absolute aantallen en percentage) Bron: Jansen, 1990, 106
Veruit het grootste aantal deelnemers bestaat uit alleenstaanden of alleszins mensen van wie de partner niet in de groep woont. Hierbij valt op te merken dat er inderdaad groepen die per se geen seksuele relatievorming binnen de groep toestaan omdat dit allerlei problemen oplevert. Een groep kan natuurlijk geen willekeurig samenraapsel van individuen zijn. Ook is er niet noodzakelijk een expliciete maatschappelijke (of ideologische) identiteit die de basis vormt voor het samenleven, zoals in vroegere utopische gemeenschappen het geval was. Het criterium voor de woon-partnerkeuze is ook niet erotische aantrekkelijkheid zoals bij huwelijk en concubinaat, en niet het lidmaatschap van een bepaalde sociale beweging of sekte, maar meestal 'een vrij diffuse mengeling van politieke opvattingen en persoonlijkheid' (Jansen 1985: 67). Hierbij kan worden vermeld dat de woongroep als vorm van wonen/huishouden historisch is verbonden met de ontbinding van de gezinsideologie. Dat brengt met zich mee dat de bevolking van het huidige woongroepenbestand voor het overgrote deel bestaat uit studenten en jonge academici, omdat daar deze ideologische ontwikkeling het verst is voortgeschreden. Buunk vermeld dat de meeste bewoners politiek als 'intellectueel links' te situeren zijn. Een nieuw type woongroep is de ouderenwoongroep die met name gericht is op de wederkerige verzorging en daarom de leden langer dan bij alleen wonen mogelijk zou zijn onafhankelijk te houden van professionele verzorging en te behoeden voor vereenzaming. Kwalitatief is dit type woongroep van groot belang voor de emancipatie van oudere mensen en er is een toenemende belangstelling voor, ook al zijn op dit moment nog maar enkele groepen gerealiseerd. 10. Tussen individualiteit en sociabiliteit Een volledige collectivering is niet meer de wens van de huidige woongroepsleden. In een onderzoek van Jansen in 1990 geven bewoners een aantal doelstellingen als verantwoording voor de keuze van de woongroep. Op de eerste plaats komt 'persoonlijke groei/emancipatie' (genoemd door 43% van de respondenten). Als tweede volgt 'gezelligheid' (33%) en als derde 'economische motieven' (32%).
Het individu in de woongroep heeft een even centrale plaats als de gemeenschap
zelf. Langeveld (1985) noemt dit de paradox van de woongroep: ze is zowel
uiting van individualisering als een reactie op individualisering. Deze
schijnbare paradox wordt volgens Weggemans (1985: 148) opgevangen door
de 'geneste opbouw' van de woonruimte in de woongroep. Er is de privé-ruimte,
die absoluut wordt gerespecteerd, en er is de ruimte die met anderen wordt
gedeeld. "Tussen beide bestaat een verbinding een voordeur, een gang
die het individu in staat stelt afwisselend in de privé- resp.
gemeenschappelijke ruimte te zijn. De privé-ruimte moet voldoende
gescheiden zijn van de overige ruimte om afzondering mogelijk te maken,
de gedeelde ruimte moet mogelijkheden bieden voor het individu, om zich
als sociaal wezen te ontplooien, en de verbinding tussen beide moet functioneel
zijn." In hetzelfde boek stelt Jansen nog dat door het samenwonen in groep "er voortdurend contactmogelijkheden beschikbaar zijn op een redelijk hoog intimiteitsniveau, zonder dat deze verbonden zijn met exclusiviteit.", en nog: " 'Verbonden maar niet gebonden' heet het in de titel van een scriptie, waarbij natuurlijk niet verheeld moet worden dat een groep ook een verstikkende kluwen of juist los zand kan zijn; moeilijker dan bij huwelijk en gezin is echter denkbaar dat in die gevallen de groep lang bij elkaar blijft." (1985: 69) In België is opvallend weinig of geen onderzoek gedaan naar woongroepen in het algemeen en naar het voorkomen ervan in het bijzonder. Dit in tegenstelling met de situatie in Nederland waar al sinds de jaren '70 regelmatig (academisch) onderzoek wordt verricht naar het fenomeen 'woongroep'. Hieruit afleiden dat er dan in België veel minder interesse is voor deze nieuwe woonvorm lijkt mij een grove onderschatting van de werkelijkheid. Er zijn enkele gegevens die dit lijken te bevestigen. De nationale Koopjeskrant heeft een aparte rubriek 'woongemeenschappen', op de computers van de Huisvestingsdienst in Leuven kan je zoeken naar 'kamers in gemeenschapshuizen' en de informatie- en ontmoetingsdagen over 'Anders wonen' die Elcker-Ik Leuven tweejaarlijks organiseert zijn telkens volzet. Door datzelfde Elcker-Ik werd in 1994 ook een nationale ontmoetingsdag rond dit thema georganiseerd. Hieraan was ook een enquête gekoppeld waaraan uiteindelijk 17 woongroepen deelnamen. Bij mijn weten het enige Belgische onderzoek tot dusver. Bij gebrek aan onderzoeksgegevens in eigen land ben ik zelf maar (een klein beetje) op onderzoek gegaan (zie ook het interview met een woongroep in deel II). Het Nationaal Instituut voor de Statistiek vroeg ik cijfergegevens i.v.m. het voorkomen van woongroepen in België. Men stuurde mij de recentste huishoudensstatistieken, gebaseerd op de bevolking van het rijksregister op 1 januari 1998. Hieruit zijn een aantal interessante zaken af te leiden. Op een totaal van 4.178.680 huishoudens in België waren er 32.365 huishoudens met twee of meer familiekernen, dat is ongeveer 0,8%. Een gedeelte van deze huishoudens zullen niet voldoen aan de definitie(s) van woongroep. Het gaat dan bijvoorbeeld om een huishouden waarin 3 opeenvolgende generaties onder één dak wonen. Toch zijn nog 20.047 huishoudens terug te vinden die zeker bestaan uit minstens twee echtparen of een echtpaar met een andere familiekern, al dan niet met kinderen. Bovendien mogen we niet vergeten dat de studentengemeenschappen veelal niet opgenomen zijn in deze statistieken omdat een student meestal gedomicilieerd blijft op zijn ouderlijk adres. Kijken we naar de spreiding van de huishoudens met twee of meer familiekernen, dan zien we een opvallend hoge frequentie in het gewest Brussel en in de arrondissementen Antwerpen, Halle-Vilvoorde, Hasselt, Gent, Leuven, Charleroi en Luik. Een zeer lage frequentie valt op in de gehele provincie West-Vlaanderen en in de provincie Luxemburg. Ik durf voorzichtig stellen dat het voornamelijk de universiteitssteden zijn waar veel woongroepen geteld worden. Waarschijnlijk hangt dit samen met het type mensen dat kiest voor deze woonvorm (zie 9) en gaat het hier in een groot deel van de gevallen over jonge afgestudeerden die ook na hun studie nog (enige tijd) voor het wonen in een woongroep kiezen.
Centraal Wonen-projecten nemen een aparte plaats in binnen het fenomeen
woongroepen.
Centraal Wonen-projecten in Nederland zijn typisch groter dan die in de V.S. of in Denemarken, soms tellen ze tot 150 personen op het groepsniveau, verdeeld in kleinere groepen of 'clusters' die een aantal familiekernen omvatten. In de V.S. heeft men het meestal over groepen bestaande uit maximum 20 à 30 wooneenheden. Het opstarten van een Centraal Wonen-project is een langdurig proces en neemt meestal een aantal jaren in beslag. De meest 'eenvoudige' Centraal Wonen-projecten bestaan uit een aantal rijhuizen waarvan men de afsluitingen tussen de tuinen heeft weggehaald. Overigens bestaat er ook een mengvorm tussen woongroep en Centraal Wonen. De Hilversumse Meent in het Nederlandse Meent is zo een project dat bestaat uit verschillende woongroepen samen.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
©
1999-2002 Roland Kums
|