Tussen individualiteit & collectiviteit
Leven in woongroep of centraal wonen-project
Deel 3: Situering van de hedendaagse woongroep

 

  8. Definitie van de woongroep
  9. Wie woont er in woongroepen?
10. Tussen individualiteit en sociabiliteit
11. Voorkomen in België
12. Centraal Wonen

8. Definitie van de woongroep

Er zijn talrijke definities in omloop van de term woongroep. Afhankelijk van welke aspecten men centraal stelt en welke men naar de achtergrond verschuift ontstaat een andere definiëring. In zijn proefschrift 'De regels van de woongroep.' geeft Tony Weggemans (Weggemans 1990: 28) een analyse van 29 verschillende definities. Er blijkt veelal overeenstemming te zijn over de volgende criteria:

  • Woongroepen bestaan uit minimaal drie volwassen leden.
  • Er worden in mindere of meerdere mate een aantal gemeenschappelijke voorzieningen gedeeld (kookvoorziening, sanitair, woonkamer).
  • Er is een bepaalde mate van gemeenschappelijke huishouding.
  • Men kiest vrijwillig voor deze woonvorm.
  • De leden van een woongroep zijn gehuisvest in één pand of enkele aaneengesloten panden.

Ter illustratie geven we enkele definities die o.a. deze criteria hanteren:

"Onder een woongroep verstaan we een groep, bestaande uit drie of meer zelfstandige personen, eventueel met kinderen, die een primair samenlevingsverband vormen als alternatief voor meer traditionele woon- en leefvormen." (Poldervaart 1983: 11)

"Een woongroep is een zelfstandig primair huishouden met ten minste drie volwassen leden, afkomstig uit meer dan één kinderschare." (Jansen 1990: 42)

"Een woongroep is een primair groepshuishouden dat is samengesteld uit drie of meer volwassenen die - met of zonder kinderen - op basis van vrije keuze samenwonen en op zijn minst in zoverre een gemeenschappelijke huishouding voeren dat zij regelmatig samen warm eten, en die door middel van dit samenwonen pogen vriendschapsbanden te ontwikkelen of te behouden, waarbij de volwassenen afkomstig zijn uit meer dan twee ouderlijke gezinnen." (Bolt 1984: 23)

Het is ook van belang om niet alleen te beschrijven wat woongroepen wél zijn maar ook wat ze niét zijn, m.a.w. ze te plaatsen tegenover bestaande begrippen. Hierover schrijft Weggemans (1990: 31-33): "Een woongroep is in de eerste plaats geen gezin. Het betreft nl. een leefverband van meer dan twee volwassenen. Bij een gezin vallen de begrippen 'huishouding' en 'huishouden' samen het eerste als geheel van activiteiten rond voeding en verzorging, het tweede als de sociale eenheid (eenheden) die deze huishouding in handen neemt. Een woongroep is dan een aantal huishoudens die een gemeenschappelijke huishouding opgezet hebben maar daarnaast 'soeverein' blijven."


Jansen (1985: 67) voegt daarbij nog: "In hoeverre de huis(houd)elijke verbondenheid samengaat met collectivering van bezit en inkomen, emotionele verbondenheid, seksuele relaties, verantwoordelijkheid voor elkaars kinderen enz. verschilt van groep tot groep. Bovendien kan dat binnen de groep ook weer verschillen van persoon tot persoon en treden er veranderingen op in de loop van de tijd."

Tenslotte sluit Weggemans nog een aantal andere gemeenschappen uit:

  • Een woongroep is geen kloostergemeenschap, hoewel deze onder de meeste gangbare definities valt. Kloosters zijn een te specifieke vorm van collectief wonen en worden daarom in empirisch onderzoek meestal buiten beschouwing gelaten.
  • Een woongroep is geen studentenhuis. De woonduur van de leden is niet gekoppeld aan de studieduur, en hun woonwensen stijgen uit boven die van studenten. O.a. hecht men in tegenstelling tot de meeste studenten erg aan voldoende privé-ruimte en aan grote kamers.
  • Een woongroep is geen willekeurige verzameling van individuen zoals bvb. in een appartementsgebouw met gemeenschappelijke voorzieningen. Het zelf kunnen kiezen van medebewoners is een essentieel belang naast het zelf kiezen van deze leefvorm.
  • Tenslotte is een woongroep geen commune. De leden hebben een sterke behoefte aan een kwalitatief goede privé-ruimte naast de gemeenschappelijke ruimte(n).

9. Wie woont er in woongroepen?

De typische woongroep bestaat niet, ook al omdat het nu eenmaal de woonvorm bij uitstek is die variaties in leefpatronen mogelijk maakt. Er is een grote diversiteit tussen de verschillende soorten woongroepen, zowel qua samenstelling, collectiveringsgraad, infrastructuur enz.. Er zijn homogene en heterogene groepen wat betreft leeftijd en gezinssituatie.
Laten we eerst naar de individuele woonwijze van de deelnemers kijken zoals opgetekend in tabel 4.

Woonwijze   n %
los apart zonder partner of kind in groep
geen privé ruimte delen met ander
824 62.9
los samen zonder partner of kind in groep
wel met iemand samen privé-ruimte
18 1.3
met partner apart wel partner maar geen gezamenlijke privé-ruimte 122 8.9
met partner samen partner in de groep en daarmee ook
gezamenlijke privé-ruimte
248 18.1
met kind apart geen partner, wel eigen kind in de groep
geen gedeelde privé-ruimte
5 0.4
met kind samen geen partner, wel kind(eren) in groep en
daarmee samen privé-ruimte
12 0.9
met gezin apart partner en eigen kind(eren) in groep, geen
gedeelde privé-ruimte
12 0.9
met gezin samen partner en eigen kind(eren) in groep,
daarmee samen privé-ruimte
93 6.8
TOTAAL
(Onbekend)
    100%
Tabel 4 Verdeling van de leden naar individuele woonwijze (absolute aantallen en percentage) Bron: Jansen, 1990, 106

Veruit het grootste aantal deelnemers bestaat uit alleenstaanden of alleszins mensen van wie de partner niet in de groep woont. Hierbij valt op te merken dat er inderdaad groepen die per se geen seksuele relatievorming binnen de groep toestaan omdat dit allerlei problemen oplevert.

Een groep kan natuurlijk geen willekeurig samenraapsel van individuen zijn. Ook is er niet noodzakelijk een expliciete maatschappelijke (of ideologische) identiteit die de basis vormt voor het samenleven, zoals in vroegere utopische gemeenschappen het geval was. Het criterium voor de woon-partnerkeuze is ook niet erotische aantrekkelijkheid zoals bij huwelijk en concubinaat, en niet het lidmaatschap van een bepaalde sociale beweging of sekte, maar meestal 'een vrij diffuse mengeling van politieke opvattingen en persoonlijkheid' (Jansen 1985: 67).

Hierbij kan worden vermeld dat de woongroep als vorm van wonen/huishouden historisch is verbonden met de ontbinding van de gezinsideologie. Dat brengt met zich mee dat de bevolking van het huidige woongroepenbestand voor het overgrote deel bestaat uit studenten en jonge academici, omdat daar deze ideologische ontwikkeling het verst is voortgeschreden. Buunk vermeld dat de meeste bewoners politiek als 'intellectueel links' te situeren zijn.

Een nieuw type woongroep is de ouderenwoongroep die met name gericht is op de wederkerige verzorging en daarom de leden langer dan bij alleen wonen mogelijk zou zijn onafhankelijk te houden van professionele verzorging en te behoeden voor vereenzaming. Kwalitatief is dit type woongroep van groot belang voor de emancipatie van oudere mensen en er is een toenemende belangstelling voor, ook al zijn op dit moment nog maar enkele groepen gerealiseerd.

10. Tussen individualiteit en sociabiliteit

Een volledige collectivering is niet meer de wens van de huidige woongroepsleden. In een onderzoek van Jansen in 1990 geven bewoners een aantal doelstellingen als verantwoording voor de keuze van de woongroep. Op de eerste plaats komt 'persoonlijke groei/emancipatie' (genoemd door 43% van de respondenten). Als tweede volgt 'gezelligheid' (33%) en als derde 'economische motieven' (32%).

Het individu in de woongroep heeft een even centrale plaats als de gemeenschap zelf. Langeveld (1985) noemt dit de paradox van de woongroep: ze is zowel uiting van individualisering als een reactie op individualisering. Deze schijnbare paradox wordt volgens Weggemans (1985: 148) opgevangen door de 'geneste opbouw' van de woonruimte in de woongroep. Er is de privé-ruimte, die absoluut wordt gerespecteerd, en er is de ruimte die met anderen wordt gedeeld. "Tussen beide bestaat een verbinding een voordeur, een gang die het individu in staat stelt afwisselend in de privé- resp. gemeenschappelijke ruimte te zijn. De privé-ruimte moet voldoende gescheiden zijn van de overige ruimte om afzondering mogelijk te maken, de gedeelde ruimte moet mogelijkheden bieden voor het individu, om zich als sociaal wezen te ontplooien, en de verbinding tussen beide moet functioneel zijn."
"Deze geïndividualiseerde vorm van wonen", schrijft Weggemans verder, "is verschillend van zowel het gezinswonen als het alleenwonen. Bij deze woonvormen ontbreekt het aan privé-ruimte voor alle gezinsleden afzonderlijk en/of aan een sociaal zinvolle verbinding met een buitenruimte. In de praktijk komt de sluipende overgang van privacy naar isolement veel voor " (1985: 150)

In hetzelfde boek stelt Jansen nog dat door het samenwonen in groep "er voortdurend contactmogelijkheden beschikbaar zijn op een redelijk hoog intimiteitsniveau, zonder dat deze verbonden zijn met exclusiviteit.", en nog: " 'Verbonden maar niet gebonden' heet het in de titel van een scriptie, waarbij natuurlijk niet verheeld moet worden dat een groep ook een verstikkende kluwen of juist los zand kan zijn; moeilijker dan bij huwelijk en gezin is echter denkbaar dat in die gevallen de groep lang bij elkaar blijft." (1985: 69)

11. Voorkomen in België

In België is opvallend weinig of geen onderzoek gedaan naar woongroepen in het algemeen en naar het voorkomen ervan in het bijzonder. Dit in tegenstelling met de situatie in Nederland waar al sinds de jaren '70 regelmatig (academisch) onderzoek wordt verricht naar het fenomeen 'woongroep'. Hieruit afleiden dat er dan in België veel minder interesse is voor deze nieuwe woonvorm lijkt mij een grove onderschatting van de werkelijkheid.

Er zijn enkele gegevens die dit lijken te bevestigen. De nationale Koopjeskrant heeft een aparte rubriek 'woongemeenschappen', op de computers van de Huisvestingsdienst in Leuven kan je zoeken naar 'kamers in gemeenschapshuizen' en de informatie- en ontmoetingsdagen over 'Anders wonen' die Elcker-Ik Leuven tweejaarlijks organiseert zijn telkens volzet. Door datzelfde Elcker-Ik werd in 1994 ook een nationale ontmoetingsdag rond dit thema georganiseerd. Hieraan was ook een enquête gekoppeld waaraan uiteindelijk 17 woongroepen deelnamen. Bij mijn weten het enige Belgische onderzoek tot dusver.

Bij gebrek aan onderzoeksgegevens in eigen land ben ik zelf maar (een klein beetje) op onderzoek gegaan (zie ook het interview met een woongroep in deel II). Het Nationaal Instituut voor de Statistiek vroeg ik cijfergegevens i.v.m. het voorkomen van woongroepen in België. Men stuurde mij de recentste huishoudensstatistieken, gebaseerd op de bevolking van het rijksregister op 1 januari 1998. Hieruit zijn een aantal interessante zaken af te leiden.

Op een totaal van 4.178.680 huishoudens in België waren er 32.365 huishoudens met twee of meer familiekernen, dat is ongeveer 0,8%. Een gedeelte van deze huishoudens zullen niet voldoen aan de definitie(s) van woongroep. Het gaat dan bijvoorbeeld om een huishouden waarin 3 opeenvolgende generaties onder één dak wonen. Toch zijn nog 20.047 huishoudens terug te vinden die zeker bestaan uit minstens twee echtparen of een echtpaar met een andere familiekern, al dan niet met kinderen. Bovendien mogen we niet vergeten dat de studentengemeenschappen veelal niet opgenomen zijn in deze statistieken omdat een student meestal gedomicilieerd blijft op zijn ouderlijk adres.

Kijken we naar de spreiding van de huishoudens met twee of meer familiekernen, dan zien we een opvallend hoge frequentie in het gewest Brussel en in de arrondissementen Antwerpen, Halle-Vilvoorde, Hasselt, Gent, Leuven, Charleroi en Luik. Een zeer lage frequentie valt op in de gehele provincie West-Vlaanderen en in de provincie Luxemburg.

Ik durf voorzichtig stellen dat het voornamelijk de universiteitssteden zijn waar veel woongroepen geteld worden. Waarschijnlijk hangt dit samen met het type mensen dat kiest voor deze woonvorm (zie 9) en gaat het hier in een groot deel van de gevallen over jonge afgestudeerden die ook na hun studie nog (enige tijd) voor het wonen in een woongroep kiezen.

12. Centraal Wonen

Centraal Wonen-projecten nemen een aparte plaats in binnen het fenomeen woongroepen.
Aan Centraal Wonen (Engels: 'Cohousing') liggen 6 principes ten grondslag. De volgende definitie werd geformuleerd door Kathryn McCamant en Charles Durrett, de grondleggers van de Amerikaanse 'Cohousing'-beweging:

  1. Bewonersparticipatie. De bewoners werken mee aan de uitbouw van het project zodat het kan voldoen aan hun eisen.
  2. Het fysisch ontwerp van het project wil een gemeenschapsgevoel bevorderen terwijl het ook zorgt voor voldoende privacy voor de bewoners. Dit houdt onder meer in dat men de voetganger meestal centraal plaatst in het ontwerp, terwijl men de auto naar de rand verdrijft.
  3. Private woningen aangevuld met gemeenschappelijke faciliteiten. Deze gemeenschappelijke faciliteiten omvatten typisch een eetzaal, zithoek, speelruimte voor kinderen, een gastenkamer, een tuin, enz Iedere gezinseenheid woont in een privé-woning, compleet met keuken maar deelt daarnaast de uitgebreide gemeenschappelijke delen met de gehele groep.
  4. De bewoners zorgen zelf voor de organisatie van het project.
  5. Ontbreken van een hiërarchische structuur en leiders. En zijn leidersfiguren maar geen leiders. De gemeenschap is niet afhankelijk van een enkele persoon. Beslissingen worden democratisch genomen.
  6. De gemeenschap is geen bron van inkomsten voor de bewoners.

Centraal Wonen-projecten in Nederland zijn typisch groter dan die in de V.S. of in Denemarken, soms tellen ze tot 150 personen op het groepsniveau, verdeeld in kleinere groepen of 'clusters' die een aantal familiekernen omvatten. In de V.S. heeft men het meestal over groepen bestaande uit maximum 20 à 30 wooneenheden.

Het opstarten van een Centraal Wonen-project is een langdurig proces en neemt meestal een aantal jaren in beslag. De meest 'eenvoudige' Centraal Wonen-projecten bestaan uit een aantal rijhuizen waarvan men de afsluitingen tussen de tuinen heeft weggehaald.

Overigens bestaat er ook een mengvorm tussen woongroep en Centraal Wonen. De Hilversumse Meent in het Nederlandse Meent is zo een project dat bestaat uit verschillende woongroepen samen.

 

© 1999-2002 Roland Kums