|
Tussen individualiteit & collectiviteit Leven in woongroep of centraal wonen-project |
|
Deel 1:
Theoretische omkadering
|
|
1. Leefvormen door de eeuwen heen 1.1.
Het gezin als institutie Mensen zijn voor hun (voort)bestaan afhankelijk van andere mensen. Ze
worden dus gedwongen om samen te leven. Dit samenleven weten we gaat niet
steeds probleemloos. Als voor een bepaald samenlevingsprobleem een gemeenschappelijk
gedragspatroon als oplossing ontstaat spreekt men van een institutie.
Een institutie is dus een algemeen aanvaarde gedragsvorm. Dankzij de institutionalisering worden de interactie- en communicatieprocessen tussen mensen gestabiliseerd tot min of meer duurzame sociale betrekkingen en verhoudingen. Er komt een door de interacterende partijen als min of meer autonoom ondervonden cultuurpatroon tot stand, dat als het ware het "cement" van de sociale structuur vormt. (Van Doorn en Lammers 1976) Het gezin vormt zo'n institutie. Lange tijd werd zelfs gedacht dat het gezin een universele institutie is omdat het een veelvoorkomende oplossing biedt voor een aantal universele biologische gegevens: de reproductie van de menselijke soort vereist - voorlopig nog steeds - vrouwen en mannen, alleen vrouwen kunnen kinderen baren, baby's en kinderen hebben gedurende een lange tijd verzorging nodig. Ondertussen is wel voldoende gebleken dat het gezin weliswaar in veel samenlevingen als eenheid voorkomt maar toch zeker niet universeel is. We denken dan bijvoorbeeld aan de kibboetsen in Israël of de Nayar in India. Rest ons nog steeds de vraag: in welke samenlevingsverbanden hebben
onze voorouders geleefd? 1.2. De grote of patriarchale familie 'Familie' komt etymologisch van het Latijnse familia, en is de verzamelnaam
voor het huis (dominium), de daarbij horende dienaars (gewoonlijk de slaven)
en het eigendom. Aan het hoofd van deze familie staat de familievader
(pater familias). Hij is de eigenaar van alle bezittingen en heeft beslissingsrecht
over leven en dood van het vee, de slaven, de kinderen en de vrouwen van
het domein. Op grond van zijn status als pater familias beschikt hij over
politieke bevoegdheden. 1.3. De kleine of burgerlijke familie In de achttiende eeuw ontstaat een nieuwe structuur van familie. De
economische productie komt meer en meer in handen van sociale en politieke
instellingen waardoor de familie een eerste eerdere functie verliest.,
ze wordt 'geprivatiseerd'. Deze privatisering houdt onder meer in dat
de familie kleiner wordt, ze bestaat nu nog uit twee partners en hun kinderen
(en eventueel het huispersoneel bij de hogere burgerij). Deze kleine familie
komt zoals eerder vermeld los te staan van de economische bedrijvigheid
waardoor haar private karakter nog versterkt wordt. Bovendien ontstaat
nu de notie van het romantische huwelijksideaal. Partners moeten elkaar
vrijwillig kiezen op basis van liefde en vriendschap tussen hen en niet
om materiële overwegingen of familiebanden. Vanaf de industrialisatie en dan vooral vanaf het begin van deze eeuw verliest de familie bijna al haar eerdere functies. Zij staat niet meer in voor de economische productie, en haar sociaal-economische status is niet langer een voorwaarde voor politieke participatie. De nucleaire familie komt ten dienste te staan van de persoonlijkheidsontwikkeling. In de familie worden personen gevormd. Ze oefent drie globale functies uit: het krijgen van en de socialisatie van kinderen, de stabilisering van het emotionele en het seksuele leven van de partners, en de huishouding van de consumptie. De nucleaire familie wordt meer en meer een autonome eenheid t.o.v. de samenleving als geheel. Men gebruikt verschillende termen voor dit huwelijks- en gezinstype:
zo spreekt men van het modern westers gezin, het besloten huwelijk, het
affectieve, geprivatiseerde en man-gedomineerde huwelijks- en gezinspatroon. Voor de man: een beperkt aantal vriendinnetjes voor het twintigste levensjaar
zonder seksuele omgang; erna moest serieus op zoek gegaan worden naar
een levenspartner, alleen op basis van liefde kon de beslissing voor een
huwelijk vallen; seksualiteit voor het huwelijk was ongewenst en op zijn
hoogst vergeeflijk wanneer het met de toekomstige echtgenote plaatsvond;
trouwen gebeurde rond het 26ste levensjaar als de man in staat was een
gezin economisch te onderhouden; met het gezin met twee a vier kinderen
woonde men in een eengezinshuis of appartement; tot 65 jaar had de man
een volle dagtaak; de kinderen gingen meestal pas uit huis wanneer ze
zelf trouwden; erna was het paar nog een tijd samen, meestal tot een van
de partners stierf. Rond dit hier geschetste gezinstype waren en zijn nog steeds een aantal
mythische beelden geweven. Mythen omdat ze geïdealiseerd en gedeeltelijk
fictief zijn. Het 'ideale gezin' zou warmte en afscherming tegen de kille,
verzakelijkte maatschappij bieden. De liefdevolle relatie tussen man en
vrouw moest ook in seksueel opzicht zodanig zijn dat al te intieme contacten
met derden overbodig waren en zeker seksuele of erotische contacten. Het
krijgen en opvoeden van kinderen werd als vanzelfsprekend ervaren. Kinderloosheid
werd snel beschouwd als onvrijwillig; het niet willen hebben van kinderen
als egoïstisch en onvoorstelbaar. Het hierboven geschetste gezinstype bereikte haar hoogtepunt rond 1960. Voor ik de evoluties na 1960 bespreek wil ik het eerst een algemene tendens bespreken. 1.5. Uitbreiding en differentiatie van bindingen
In de sociologie onderscheidt men 4 typen bindingen of afhankelijkheden
tussen mensen. Men spreekt van economische bindingen wanneer het gaat
om de afhankelijkheden die te maken hebben met de productie en de distributie
van schaarse goederen, zoals voedsel, onderdak en kleding. Afhankelijkheden
die betrekking hebben op de fysieke dwang die mensen op andere mensen
kunnen uitoefenen noemt men politieke bindingen. Als men kijkt naar de
positieve en negatieve gevoelens die mensen voor elkaar kunnen koesteren
heeft men het over affectieve bindingen. Cognitieve bindingen tenslotte
vloeien voort uit processen van kennisvorming en kennisoverdracht. Terwijl maatschappijen evolueerden van kleine jachtsamenlevingen naar
grotere agrarische gemeenschappen en tenslotte naar de hedendaagse (post-)industriële
samenlevingen zijn meer en meer mensen over steeds grotere afstanden afhankelijk
geworden van elkaar. Kijken we alleen maar naar de kleding die we op dit
moment dragen en het voedsel dat we vandaag consumeren dan kan men daarin
een netwerk ontwarren dat de ganse wereld omvat. Dit proces van het steeds
groter worden of uitbreiden van afhankelijkheidssnetwerken hangt nauw
samen met een andere langetermijnontwikkeling, nl. de toenemende sociale
differentiatie. |
|
©
1999-2002 Roland Kums
|