Tussen individualiteit & collectiviteit
Leven in woongroep of centraal wonen-project
Deel 1: Theoretische omkadering

 

1. Leefvormen door de eeuwen heen

    1.1. Het gezin als institutie
    1.2. De grote of patriarchale familie
    1.3. De kleine of burgerlijke familie
    1.4. De nucleaire familie
    1.5. Uitbreiding en differentiatie van bindingen

1.1. Het gezin als institutie

Mensen zijn voor hun (voort)bestaan afhankelijk van andere mensen. Ze worden dus gedwongen om samen te leven. Dit samenleven weten we gaat niet steeds probleemloos. Als voor een bepaald samenlevingsprobleem een gemeenschappelijk gedragspatroon als oplossing ontstaat spreekt men van een institutie. Een institutie is dus een algemeen aanvaarde gedragsvorm.
Deze instituties zijn van groot belang voor het functioneren van een samenleving. Gedrag van mensen zou zonder hen onvoorspelbaar zijn. Mensen moeten in een zekere mate op het gedrag van anderen kunnen anticiperen om samenleven mogelijk te maken.

Dankzij de institutionalisering worden de interactie- en communicatieprocessen tussen mensen gestabiliseerd tot min of meer duurzame sociale betrekkingen en verhoudingen. Er komt een door de interacterende partijen als min of meer autonoom ondervonden cultuurpatroon tot stand, dat als het ware het "cement" van de sociale structuur vormt. (Van Doorn en Lammers 1976)

Het gezin vormt zo'n institutie. Lange tijd werd zelfs gedacht dat het gezin een universele institutie is omdat het een veelvoorkomende oplossing biedt voor een aantal universele biologische gegevens: de reproductie van de menselijke soort vereist - voorlopig nog steeds - vrouwen en mannen, alleen vrouwen kunnen kinderen baren, baby's en kinderen hebben gedurende een lange tijd verzorging nodig. Ondertussen is wel voldoende gebleken dat het gezin weliswaar in veel samenlevingen als eenheid voorkomt maar toch zeker niet universeel is. We denken dan bijvoorbeeld aan de kibboetsen in Israël of de Nayar in India.

Rest ons nog steeds de vraag: in welke samenlevingsverbanden hebben onze voorouders geleefd?
In het boek Familie. Een humanistische benadering geeft Johan Stuy een historische schets van het Europese gezinsleven. Hij gaat ervan uit dat de historisch-maatschappelijke context van de familie steeds is weerspiegeld door de opvattingen van filosofen uit die tijd. Hij beschrijft een evolutie van een grote, patriarchale familie naar een kleinere, burgerlijke familie en naar een nucleair gezin.

1.2. De grote of patriarchale familie

'Familie' komt etymologisch van het Latijnse familia, en is de verzamelnaam voor het huis (dominium), de daarbij horende dienaars (gewoonlijk de slaven) en het eigendom. Aan het hoofd van deze familie staat de familievader (pater familias). Hij is de eigenaar van alle bezittingen en heeft beslissingsrecht over leven en dood van het vee, de slaven, de kinderen en de vrouwen van het domein. Op grond van zijn status als pater familias beschikt hij over politieke bevoegdheden.
Deze patriarchale, grote familie komt voor vanaf de Oudheid tot en met de Middeleeuwen en maakt deel uit van een sterk hiërarchisch ingedeelde maatschappij. Zij is een van de peilers van deze maatschappelijke ordening: zij staat in voor de economische huishouding, levert de politieke afgevaardigde en houdt zich bezig met de opvoeding van de kinderen.

1.3. De kleine of burgerlijke familie

In de achttiende eeuw ontstaat een nieuwe structuur van familie. De economische productie komt meer en meer in handen van sociale en politieke instellingen waardoor de familie een eerste eerdere functie verliest., ze wordt 'geprivatiseerd'. Deze privatisering houdt onder meer in dat de familie kleiner wordt, ze bestaat nu nog uit twee partners en hun kinderen (en eventueel het huispersoneel bij de hogere burgerij). Deze kleine familie komt zoals eerder vermeld los te staan van de economische bedrijvigheid waardoor haar private karakter nog versterkt wordt. Bovendien ontstaat nu de notie van het romantische huwelijksideaal. Partners moeten elkaar vrijwillig kiezen op basis van liefde en vriendschap tussen hen en niet om materiële overwegingen of familiebanden.
Al deze factoren zorgen ervoor dat het leven in de familie meer een privé-aangelegenheid wordt die losstaat van het politieke en economische leven erbuiten. Wel is het nog steeds de familievader die de familie vertegenwoordigt naar deze buitenwereld toe. Merk ook op dat voor het eerst een strikte arbeidsdeling tussen de seksen ontstaat.

1.4. De nucleaire familie

Vanaf de industrialisatie en dan vooral vanaf het begin van deze eeuw verliest de familie bijna al haar eerdere functies. Zij staat niet meer in voor de economische productie, en haar sociaal-economische status is niet langer een voorwaarde voor politieke participatie. De nucleaire familie komt ten dienste te staan van de persoonlijkheidsontwikkeling. In de familie worden personen gevormd. Ze oefent drie globale functies uit: het krijgen van en de socialisatie van kinderen, de stabilisering van het emotionele en het seksuele leven van de partners, en de huishouding van de consumptie. De nucleaire familie wordt meer en meer een autonome eenheid t.o.v. de samenleving als geheel.

Men gebruikt verschillende termen voor dit huwelijks- en gezinstype: zo spreekt men van het modern westers gezin, het besloten huwelijk, het affectieve, geprivatiseerde en man-gedomineerde huwelijks- en gezinspatroon.
Volgens Buunk (1982) En Weeda (1995) hield deze vorm van samenleven het volgende in:

Voor de man: een beperkt aantal vriendinnetjes voor het twintigste levensjaar zonder seksuele omgang; erna moest serieus op zoek gegaan worden naar een levenspartner, alleen op basis van liefde kon de beslissing voor een huwelijk vallen; seksualiteit voor het huwelijk was ongewenst en op zijn hoogst vergeeflijk wanneer het met de toekomstige echtgenote plaatsvond; trouwen gebeurde rond het 26ste levensjaar als de man in staat was een gezin economisch te onderhouden; met het gezin met twee a vier kinderen woonde men in een eengezinshuis of appartement; tot 65 jaar had de man een volle dagtaak; de kinderen gingen meestal pas uit huis wanneer ze zelf trouwden; erna was het paar nog een tijd samen, meestal tot een van de partners stierf.
Het verschil voor de vrouw was dat ze bij het krijgen van kinderen haar werk opgaf en zich ging wijden aan de opvang van man en kinderen. Het huishouden was haar domein, eigen inkomsten had ze niet. Ze trouwde gemiddeld iets eerder dan de man, gewoonlijk rond het 24ste levensjaar. De vrouw overleefde haar man vaker dan omgekeerd het geval was. De gemiddeld langere levensduur van de vrouw en haar gemiddeld jongere leeftijd bij het huwelijk waren daar de oorzaak van.

Rond dit hier geschetste gezinstype waren en zijn nog steeds een aantal mythische beelden geweven. Mythen omdat ze geïdealiseerd en gedeeltelijk fictief zijn. Het 'ideale gezin' zou warmte en afscherming tegen de kille, verzakelijkte maatschappij bieden. De liefdevolle relatie tussen man en vrouw moest ook in seksueel opzicht zodanig zijn dat al te intieme contacten met derden overbodig waren en zeker seksuele of erotische contacten. Het krijgen en opvoeden van kinderen werd als vanzelfsprekend ervaren. Kinderloosheid werd snel beschouwd als onvrijwillig; het niet willen hebben van kinderen als egoïstisch en onvoorstelbaar.
Ook de ongehuwde staat werd afgewezen; mannen die ervoor kozen werden als onvolwassen en losbandig gezien. Voor de vrouw werd niet gedacht aan een eigen keuze. Indien ze op wat gevorderde leeftijd nog alleenstaand was, werd ze beschouwd als 'overgeschoten'. Binnen het huwelijk hoorden man en vrouw een te zijn, wat er meestal op neerkwam dat de vrouw zichzelf wegcijferde en opofferde en alles diende te begrijpen en vergeven. Echtscheiding kwam in geringe mate voor en was zwaar gestigmatiseerd.

Het hierboven geschetste gezinstype bereikte haar hoogtepunt rond 1960. Voor ik de evoluties na 1960 bespreek wil ik het eerst een algemene tendens bespreken.

1.5. Uitbreiding en differentiatie van bindingen

In de sociologie onderscheidt men 4 typen bindingen of afhankelijkheden tussen mensen. Men spreekt van economische bindingen wanneer het gaat om de afhankelijkheden die te maken hebben met de productie en de distributie van schaarse goederen, zoals voedsel, onderdak en kleding. Afhankelijkheden die betrekking hebben op de fysieke dwang die mensen op andere mensen kunnen uitoefenen noemt men politieke bindingen. Als men kijkt naar de positieve en negatieve gevoelens die mensen voor elkaar kunnen koesteren heeft men het over affectieve bindingen. Cognitieve bindingen tenslotte vloeien voort uit processen van kennisvorming en kennisoverdracht.
Het gaat bij deze vierdeling natuurlijk om een 'ideaaltypische' indeling; dat wil zeggen dat men nooit een zuivere binding zal kunnen observeren maar steeds een mengvorm zal aantreffen.

Terwijl maatschappijen evolueerden van kleine jachtsamenlevingen naar grotere agrarische gemeenschappen en tenslotte naar de hedendaagse (post-)industriële samenlevingen zijn meer en meer mensen over steeds grotere afstanden afhankelijk geworden van elkaar. Kijken we alleen maar naar de kleding die we op dit moment dragen en het voedsel dat we vandaag consumeren dan kan men daarin een netwerk ontwarren dat de ganse wereld omvat. Dit proces van het steeds groter worden of uitbreiden van afhankelijkheidssnetwerken hangt nauw samen met een andere langetermijnontwikkeling, nl. de toenemende sociale differentiatie.
In het stamleven dat jachtsamenlevingen kenmerkt zijn de economische, politieke, affectieve en cognitieve bindingen met elkaar verstrengeld. Naarmate samenlevingen zich meer differentieerden, vormden zich sociale instituties waarin één type binding de andere als het ware naar de achtergrond drong. Er zijn steeds meer groepen en instellingen ontstaan die gespecialiseerd zijn in de productieve functie, de beschermingsfunctie, de bevrediging van affectieve behoeften (het gezin en de vriendenkring!) of de overdracht van kennis. Men kan als het ware spreken van een proces van het uitsplitsen van bindingen. In onze moderne samenleving zijn relaties (in de brede zin van het woord) steeds functioneler geworden, de verschillende soorten afhankelijkheden netjes gespreid over gespecialiseerde takken van hun netwerken.
Zo is in sterk gedifferentieerde samenlevingen de mogelijkheid ontstaan om op allerlei manieren afhankelijk te zijn van een veelheid van vrij anonieme instellingen en tegelijkertijd weinig afhankelijk te zijn van aanwijsbare personen. Die situatie kan mensen het illusoire gevoel geven dat ze onafhankelijk zijn; ze hebben hun afhankelijkheden zo strategisch verdeeld dat ze merken aan niemand in het bijzonder sterk gebonden te zijn. Aan de andere kant komt het ze voor alsof ze verstrikt zijn geraakt in een kluwen van bindingen. Ze voelen zich steeds afhankelijker van anonieme, onpersoonlijke instellingen. Deze tegenstrijdige sensaties zijn wel aangeduid als een 'homo clausus'-gevoel, het idee onafhankelijk te zijn van andere mensen en tegelijkertijd bedreigd te worden door de maatschappij (Elias 1971: 131-132).
Van tijd tot tijd worden er voorstellen gedaan om de differentiatie van het sociale leven wat af te remmen. Volgens mij kunnen ook woongemeenschappen en Centraal Wonen-projecten - en zeker de communes van de jaren '60 - worden gezien als pogingen om toch gedeeltelijk een herintegratie van bindingen te bekomen. In ieder geval geven deze pogingen aan dat bij veel mensen het gevoel leeft dat de sociale differentiatie in onze samenleving te ver dreigt door te schieten.

© 1999-2002 Roland Kums