Tussen individualiteit & collectiviteit
Leven in woongroep of centraal wonen-project
Deel 1: Theoretische omkadering

 

4. Demografische ontwikkelingen

    4.1. Daling van het geboortecijfer
    4.2. Dalende huwelijksfrequentie
    4.3. Sterk toegenomen echtscheidingsfrequentie
    4.4. Verandering in de samenstelling van de huishoudens

In de laatste helft van deze eeuw, en dan vooral vanaf de jaren zestig, deden zich een aantal ontwikkelingen voor die wijzen op belangrijke veranderingen in huwelijk, gezin en andere leefvormen.

4.1. Daling van het geboortecijfer

Vanaf het midden van de jaren zestig daalt het geboortecijfer in versneld tempo. Gedeeltelijk is dit te verklaren door de sterke toename van het aantal vrijwillig kinderloze echtparen. Ook de daling van het gemiddelde aantal kinderen per gezin speelt een rol. Gezinnen met meer dan twee kinderen zijn tot de uitzonderingen gaan behoren. Het krijgen van kinderen wordt ook meer dan vroeger gepland, dankzij de beschikbaarheid van goedkope en betrouwbare anticonceptiva. Terwijl men vroeger sprak van het 'krijgen' van kinderen spreekt men tegenwoordig van het 'nemen' ervan.

4.2. Dalende huwelijksfrequentie

De huwelijksfrequentie is het aantal eerste huwelijken per 1000 huwbare mannen of vrouwen. Van 1950 tot 1970 blijf ze ongeveer gelijk. Sindsdien is de huwelijksfrequentie sterk gedaald. Alleen al tussen 1970 en 1977 bedroeg de terugval 35%. Er worden dus steeds minder huwelijken gesloten. Men verklaart deze ontwikkeling door de toename van het aantal ongehuwd samenwonenden en jongere alleenstaanden.

4.3. Sterk toegenomen echtscheidingsfrequentie

Voor het begin van de twintigste eeuw was echtscheiding iets dat slechts een minuscuul deel van de bevolking betrof, een 'statistically insignificant oddity' (Stone 1990: 6-7).
Hoewel in Engeland en Wales in de tweede helft van de negentiende eeuw het absolute aantal echtscheidingen enigszins steeg, vonden nog in 1914 slechts iets meer dan 800 echtscheidingen plaats op een bevolking van ruim 40 miljoen. In datzelfde jaar werden in Nederland ruim 1100 huwelijken ontbonden door echtscheiding, op een bevolking van ruim 6 miljoen. In de eerste helft van de twintigste eeuw stegen de echtscheidingscijfers in West-Europa zeer geleidelijk, met pieken na beide wereldoorlogen, maar de explosieve groei van de echtscheiding in West-Europa heeft zich pas voorgedaan in de laatste dertig jaar. Tussen 1960 en 1987 verzesvoudigde het aantal echtscheidingen per jaar in Engeland, van 24.600 in 1960 tot 151.000 in 1987. In Nederland vervijfvoudigde dit aantal van 5.700 in 1960 tot 28.400 in 1990. De groei van het aantal echtscheidingen komt nog sterker naar voren als men het aantal huwelijksontbindingen per duizend bestaande huwelijken per jaar bekijkt (Zwaan 1993: 288-289).
Voorlopig kunnen we concluderen dat echtscheiding in zeer korte tijd een massaal verschijnsel is geworden, dat het mede daardoor ook 'genormaliseerd' is, 'gewoon' geworden is en dat de tolerantie voor echtscheidingen kennelijk fors is toegenomen.

Hoe kunnen we deze spectaculaire toename van het aantal echtscheidingen verklaren? Een korte terugblik op het verleden is daarbij verhelderend.
Tot ver in de negentiende eeuw waren in het algemeen in West-Europa de officiële mogelijkheden voor echtscheiding door kerk en staat institutioneel sterk beperkt. De externe druk, zowel van de overheden als van de directe omgeving, om ook bij onderlinge moeilijkheden getrouwd te blijven was groot.
Twee overwegingen zijn in dit verband vooral belangrijk. In de pre-industriële context was de zakelijke, economische kant van het huwelijk voor zeer velen van groot belang: door een huwelijk werd ook een bedrijf door gezamenlijke arbeid in stand gehouden, zoals onder boeren, of werd door de gecombineerde arbeid van beide echtelieden, zoals onder arbeiders, een gezin draaiende gehouden. Het opgeven van een huwelijk betekende dan ook het opgeven van de eigen bestaansbasis en dat was waarschijnlijk een krachtige rem op echtscheiding. De tweede overweging heeft betrekking op de positie van vrouwen. Het gehuwd raken was voor hen op jonge leeftijd een voornaam doel in het leven, was die status eenmaal verworven dan was het belangrijk die ook te behouden. Eenmaal getrouwd was hun rechtspositie echter uiterst zwak: juridisch handelingsonbekwaam, gehouden tot gehoorzaamheid aan hun echtgenoot, doorgaans geen formele zeggenschap over inkomen en bezit en geen formele zeggenschap over hun kinderen. Wanneer het huwelijk goed of redelijk was, was dit alles wellicht in de praktijk niet zo'n probleem, maar juist bij huwelijksmoeilijkheden stonden vrouwen zeer zwak.

Het voorgaande verklaart waarom echtscheiding vroeger niet frequent voorkwam maar nog niet de plotselinge stijging van het aantal echtscheidingen (vooral) na 1960. Om dit laatste te verklaren verwijst men dikwijls naar de secularisering van de maatschappij. Grote en groeiende aantallen mensen geven er de voorkeur aan hun intieme relaties als strikt privé te beschouwen en wensen geen bemoeienis meer van staat en kerk met dat deel van hun leven. De christelijke moraal inzake moraal en echtscheiding is voor de meesten niet meer maatgevend, ook niet wanneer zij zichzelf wel als christenen beschouwen. Het rooms-katholieke verbod op de moderne vruchtbaarheidsbeheersing wordt door de meeste katholieken genegeerd en ook het verbod op echtscheiding heeft veel van zijn kracht verloren.
Daarnaast zijn er opnieuw twee overwegingen belangrijk. De meer traditionele motieven voor het huwelijk, zoals familiebelangen of het vormen van een bedrijfs- of arbeidsgemeenschap door de gehuwden zijn verdwenen op sterk op de achtergrond geraakt. Daarvoor in de plaats zijn in overeenstemming met het romantisch ideaal vooral persoonlijke affectieve motieven getreden. Naarmate het huwelijk meer exclusief gebaseerd is op gevoelens van wederzijdse aantrekking kan men daarbij nog stellen dat de basis voor dat huwelijk makkelijk minder stabiel kan worden, gezien de veranderlijkheid van gevoelens. De tweede overweging heeft opnieuw betrekking op de veranderde positie van vrouwen. Over het geheel gezien is die positie juist in de laatste drie tot vier decennia veel sterker geworden. Dat impliceert waarschijnlijk ook dat veel vrouwen meer eisen stellen binnen hun huwelijken en veel minder dan voordien onder druk staan om zich te schikken in geval van huwelijksproblemen.

Hoewel echtscheiding thans veel voorkomt kan men daaruit niet concluderen dat mensen een dergelijk besluit licht zouden nemen. Bij de huwelijksproblemen die mensen na een scheiding noemen als ze uitleggen waarom ze gescheiden zijn, staan vooral de relationele en affectieve problemen voorop. Tekortschietende communicatie, verschillen in karakter, uit elkaar groeien en een onbevredigende seksuele relatie worden het meest genoemd. Een vanouds klassiek motief als lichamelijk geweld wordt verhoudingsgewijs veel minder naar voren gebracht, al ontbreekt het zeker niet. Wel blijkt een ander klassiek motief, namelijk overspel, nog steeds een belangrijke rol te spelen: de buitenechtelijke relatie is de voornaamste aanleiding voor de scheiding, zelden echter het enige motief (Zwaan 1993: 293-294; Weeda 1991: 123-133)

4.4. Verandering in de samenstelling van de huishoudens

Veranderingen in de samenstelling van de huishoudens vormen een laatste, zij het minder ingrijpende demografische ontwikkeling, die gedeeltelijk uit het voorgaande is af te leiden.
Vergeleken met 1960 zijn er in 1991 relatief minder echtparen met kinderen. Een toename zien we in het aantal alleenstaanden en de echtparen zonder kinderen, huishoudtypen die gezamenlijk frequenter (51,6 % in 1991) voorkomen dan het 'modale' gezin bestaande uit man, vrouw en kinderen. Bedenken we nog dat een toenemend aantal gehuwde moeders buitenshuis werkt, dan bevindt zich nog slechts een minderheid der bevolking op een bepaald moment in de tijd in het eerder beschreven 'ideale' gezinstype .

Deboosere en zijn collega's van het Steunpunt Demografie van de Vrije Universiteit Brussel zien trouwens die evolutie nog versterken. Ik geef hun referentiescenario hier weer:

HUISHOUDENS
1991
1996
2001
2006
2011
*1000
%
*1000
%
*1000
%
*1000
%
*1000
%
ALLEENWONENDEN 1125 28.8 1228 30.5 1319 32.1 1399 33.5 1465 34.9

GEHUWDEN

waarvan zonder kinderen

gemiddelde grootte

2331

902

3.1

59.7

(38.7)

 

2306

913

3.07

57.2

(39.6)

 

2271

922

3.03

55.2

(40.6)

 

2230

934

2.98

53.5

(41.9)

 

2188

950

2.94

52.1

(43.4)

 

SAMENWONENDEN

waarvan met kinderen

gemiddelde grootte

139

56

2.65

3.6

(40.0)

 

156

65

2.78

3.9

(41.7)

 

167

70

2.86

4.1

(42.2)

 

175

76

2.87

4.2

(43.3)

 

179

72

2.86

4.3

(40.0)

 

EENOUDERGEZINNEN

gemiddelde grootte

309

2.48

7.9

 

337

2.58

8.4

 

356

2.65

8.6

 

366

2.71

8.8

 

368

2.75

8.8

 

TOTAAL 3904 100 4027 100 4113 100 4170 100 4200 100
gemiddelde grootte 2.49 2.42 2.37 2.32 2.28


Tabel 3 Huishoudenstypes van 1991 tot 2011: Referentiescenario (duizendtallen)

De volgende tendensen komen tot uiting:

a) Het aantal huishoudens van alleenstaanden stijgt van iets meer dan een miljoen tot bijna anderhalf miljoen tegen 2011, en dit type vormt dan circa 35 % van alle huishoudens.

b) Het aantal huishoudens van gehuwden krimpt verder van 2,3 miljoen tot 2,2 miljoen, doch dit type blijft ook in 2011 nog modaal (52 % van de huishoudens).

c) Het aandeel van de huishoudens van gehuwden zonder inwonende kinderen in het totaal van de huishoudens van gehuwden stijgt van circa 39 tot 43 %, terwijl de gemiddelde gezinsgrootte bij gehuwden in totaal afneemt van 3,10 tot 2,94 personen.

d) De huishoudens van samenwonenden nemen toe, doch vormen in 2011 nog altijd iets minder dan 5 % van alle huishoudens, althans indien we hier de 'de jure' visie gebaseerd op wettelijk domicilie behouden.

e) Het aantal éénoudergezinnen stijgt eveneens en deze halen een aandeel van 8,8 % van alle huishoudens in 2011.

De gemiddelde huishoudensomvang van de éénoudergezinnen en de huishoudens van samenwonenden stijgt en benadert het gemiddelde van de gezinnen van gehuwden, doch dit kan de algemene daling van de gemiddelde huishoudensomvang niet stoppen. Tegen 2011 zouden deze nog amper in de buurt liggen van 2,3 personen.

backoverzichtforward

© 1999-2002 Roland Kums