Tussen individualiteit & collectiviteit
Leven in woongroep of centraal wonen-project
Deel 1: Theoretische omkadering

 

5. Onstaansgeschiedenis van woongemeenschappen

5.1. Woongroepen en de communautaire traditie
5.2. Breekpunt in de communautaire traditie
5.3. De communebeweging van de jaren '60
5.4. De huidige woongroepenperiode

5.1. Woongroepen en de communautaire traditie

In Woongroepen. Individualiteit in groepsverband kadert Saskia Poldervaart woongroepen in een breder historisch-maatschappelijk kader. Zij stelt dat woon- en werkgemeenschappen een lange geschiedenis hebben en al voor onze tijdsrekening bestaan hebben. Meestal hadden de leden van dergelijke gemeenschappen het komen tot een ideale maatschappij als doel, waarbij onder andere het bezit gemeenschappelijk en eerlijk gedeeld zou zijn. Het grote verschil tussen communautaire bewegingen en andere revolutionaire stromingen is dat de eerste haar idealen onmiddellijk in de praktijk trachtte te brengen.

In de loop van de geschiedenis van de laatste twintig eeuwen is een soort golfbeweging te ontdekken in het opkomen en weer wegebben van dergelijke communautaire bewegingen. Hoogtepunten zijn er geweest rondom het begin van onze jaartelling (de eerste christengemeenschappen), in de 12de en 13de eeuw (franciscanen, augustijnen, begijnen, 'ketters' als de Katharen, de Waldenzen, ), in de 16de en 17de eeuw (de Wederdopers, de Quakers, de Shakers, ), de utopisch-socialistische periode halverwege de 19de eeuw (Owen, Fourier, de Oneidagemeenschap), in het begin van de 20ste eeuw (Amerikaanse kunstenaarsgemeenschappen Engelse tuinstadsbeweging, Kibboetsbeweging, huishoudelijke coöperaties) en in de huidige tijd. Tijdens al deze perioden hebben er verspreid over Europa en/of Amerika honderden woon- en werkgemeenschappen bestaan. Maar op geen enkel moment in de geschiedenis zijn ze zo populair geweest als vandaag. Alleen al in Nederland bestaan er momenteel naar schatting 7500 woongroepen.

5.2. Breekpunt in de communautaire traditie

Halverwege de communebeweging van de jaren zestig werden een aantal elementen van de communautaire traditie verlaten terwijl een aantal nieuwe facetten belangrijk werden. De nieuwe communes zijn sterk gericht op zelfontplooiing op relationeel gebied. De meeste communes van voor 1960 wilden zelfvoorzienend zijn, vooral in economische zin. Deze ideologie van de zelfredzaamheid werd verlaten met de opkomst van de eerste stedelijke communes. Een belangrijk breekpunt is ook het verdwijnen van de doelstelling om door het communautair wonen als voorbeeld voor anderen te dienen. Voordien vormde dit utopisch element een belangrijk streven. Een laatste verschil tussen de vroegere communautaire gemeenschappen en de huidige woongroepen schuilt in de omvang van de gemeenschap. Vroeger waren een honderdtal leden zeker niet ongewoon. Tegenwoordig telt de gemiddelde Nederlandse woongroep vijf à zes leden.

Woongroepen behoren dus enerzijds nog tot de communautaire traditie omdat als kenmerk van deze traditie is omschreven het direct in praktijk brengen van een aantal idealen, waarbij het gaat om het scheppen van gemeenschappelijke waarden en daarnaar trachten te leven. Anderzijds wijzen de huidige woongroepen een element van de communautaire traditie af, namelijk het utopische element. Het gevolg van het afwijzen van dit als voorbeeld willen dienen voor anderen is dat woongroepen ook minder verzet van de samenleving ontmoeten en paradoxaal genoeg vormt dit één van de redenen waarom het aantal woongroepen veel groter kon worden.

5.3. De communebeweging van de jaren '60

Als ik aan sommigen uitleg wat volgens mij een woongemeenschap is en inhoudt krijg ik dikwijls als reactie: 'Een soort commune dus.'. Dus niet. Het woord commune is dus wel bekender, maar dekt een andere lading.

Communes ontstonden in de jaren zestig in West-Europa en de Verenigde Staten als een alternatief voor huwelijk en gezin als primaire samenlevingsvorm. De naam 'commune' was gebaseerd op de ideologische motieven van de eerste groepen die voor deze samenlevingsvorm kozen. Het in groep samenwonen was voor hen aanvankelijk direct verbonden aan een revolutie op zowel het gebied van het privé-leven als van het openbare leven. Hun eisenpakket omvatte: afschaffing van privé-bezit van roerende goederen, kleding en voedsel, opheffing van de scheiding tussen huishoudens en kostwinning, opheffing van de exclusiviteit van seksuele relaties, en anti-autoritaire opvoeding in gedeelde verantwoordelijkheid door alle samenwonende volwassenen. In het openbare leven: afschaffing van privé-bezit van productiemiddelen en radicale democratisering.
Een aantal van deze ideologisch radicale communes, met name die in Berlijn, lieten veel van zich horen en plaatsten zichzelf regelmatig in de kijker. Zij bepaalden dan ook het imago van de nieuwe samenlevingsvorm en zorgden voor de huidige negatieve bijklank van het woord 'commune'.

Maar ook toen al kozen minder revolutionaire groepen voor deze manier van samenwonen. Jos van Ussel onderzocht in 1972 een aantal Nederlandse communes. Hij besloot dat het belangrijkste motief van de "communards" het 'streven naar relationele zelfontplooiing' was ontwikkeling van open, eerlijke communicatie en emotionele zelfontwikkeling. Men was meestal een stuk minder radicaal dan wat het toen heersende imago van communes deed vermoeden. Weinig groepen probeerden de seksuele tweerelaties te doorbreken en ook in de materiële sfeer streefden maar weinig groepen naar een volledige (of zelfs maar gedeeltelijke) collectivisering. Ook politieke motieven speelden nauwelijks een rol van betekenis of kwamen in het beste geval op de tweede plaats.

5.4. De huidige woongroepenperiode

Waar de historische commune een alternatieve maatschappij was is de moderne commune een alternatieve huishoudelijke gemeenschap. Na het afwerpen van haar radicale mantel kon de woongroep een breder publiek aanspreken, al lijkt het radicale imago van de eerste communes nog steeds enige invloed te hebben op het denken over de hedendaagse woongroepen.
In landen zoals Denemarken waar al sinds 1981 overheidssubsidies verleent worden aan opstartende groepen is zeker sprake van een explosieve toename van het aantal woongemeenschappen.
Ook in andere landen is sinds het begin van de jaren negentig een hernieuwde belangstelling voor het gemeenschappelijk wonen vast te stellen, zeker ook (en bijvoorbeeld in de V.S. vooral) voor het Centraal Wonen.

backoverzichtforward

© 1999-2002 Roland Kums